ECLI:NL:RVS:2026:903

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
202203566/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 17 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering wissing persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening

De appellant verzocht de minister van Financiën om inzage en later wissing van zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister verleende inzage, maar wees het verzoek tot wissing af omdat de gegevens nog nodig zijn voor onderzoek naar de gevolgen van de FSV.

De rechtbank oordeelde dat de minister aan het inzagerecht had voldaan en dat het weigeren van wissing gerechtvaardigd was vanwege taken van algemeen belang. De appellant stelde in hoger beroep dat de inzage onvolledig was en dat de wissing ten onrechte werd geweigerd.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze bezwaren. Zij oordeelde dat de minister een volledig en getrouw overzicht had verstrekt, dat de namen van ambtenaren niet hoefden te worden verstrekt, en dat het bewaren van persoonsgegevens noodzakelijk en evenredig is voor het herstel van onrechtmatige gevolgen en verantwoording over de FSV.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat de minister het verzoek om wissing van persoonsgegevens mocht weigeren.

Uitspraak

202203566/1/A3.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Thailand,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 mei 2022 in zaken nrs. 21/2170 en 21/4238 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2020 heeft de minister het verzoek van [appellant] op grond van artikel 15 van Pro de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) om inzage in zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) ingewilligd.
Bij besluit van 17 februari 2021 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij besluit van 12 maart 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant] op grond van artikel 17 van Pro de AVG om wissing van zijn persoonsgegevens in de FSV afgewezen.
Bij besluit van 4 juni 2021 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 mei 2022 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 17 februari 2021 en 4 juni 2021 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere inlichtingen gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 mei 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz en mr. M. Baarslag, is verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.
Inleiding
2.       Bij brief van 14 april 2020 heeft [appellant] de minister verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij besluit van 20 oktober 2020 heeft de minister dat verzoek ingewilligd en een overzicht verstrekt van zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij brief van 26 november 2020 heeft [appellant] verzocht om wissing van die persoonsgegevens. Bij besluit van 12 maart 2021 heeft de minister dat verzoek afgewezen, omdat het bewaren van de gegevens nog nodig is voor het onderzoek naar de gevolgen van de FSV voor betrokkenen. De minister heeft het door [appellant] tegen het besluit van 20 oktober 2020 gemaakte bezwaar bij besluit van 17 februari 2021 gegrond verklaard en een overzicht verstrekt van data waarop zijn persoonsgegevens in de FSV zijn aangevuld. De minister heeft het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 12 maart 2021 bij besluit van 4 juni 2021 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3.       Over het besluit van 17 februari 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister heeft voldaan aan het inzageverzoek door een overzicht te verstrekken van de aanwezige persoonsgegevens. Daartoe heeft zij overwogen dat artikel 15, derde lid, van de AVG de minister niet verplicht om de persoonsgegevens van ambtenaren te verstrekken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat dit artikel de minister ook niet verplicht om, naast het verstrekte overzicht, een kopie te verstrekken. Het overzicht stelt [appellant] namelijk in staat om de juistheid en rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren. Volgens de rechtbank blijkt verder uit de verstrekte gegevens niet dat de minister niet alle persoonsgegevens van [appellant] heeft verstrekt. De rechtbank heeft overwogen dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet zo hoeft te zijn dat er brieven van ambtenaren bestaan waarin persoonsgegevens van [appellant] zijn verwerkt en waaruit de aanleiding blijkt voor zijn opname in de FSV. Ook betekenen onjuistheden in de verstrekte gegevens volgens de rechtbank niet dat de minister geen volledige inzage heeft gegeven in de persoonsgegevens van [appellant] zoals die in de FSV staan geregistreerd.
Over het besluit van 4 juni 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG, in beginsel gehouden is om de persoonsgegevens van [appellant] te verwijderen, maar dat de minister de wissing van persoonsgegevens in dit geval heeft mogen weigeren. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bewaren van de persoonsgegevens nog nodig is voor het vervullen van een aantal taken van algemeen belang. De FSV is niet meer te raadplegen en wordt niet meer gebruikt voor de registratie van mogelijke risicosignalen bij belastingaangiften. Volgens de rechtbank zou het wissen van de gegevens en het aanleggen van een nieuwe lijst met uit de FSV verwijderde persoonsgegevens op hetzelfde neerkomen als het bewaren van de gegevens in de uitgeschakelde FSV. Daarbij biedt de AVG niet de mogelijkheid om aan de wens van [appellant] tegemoet te komen om aan die nieuwe lijst expliciet de mededeling toe te voegen dat hij geen fraudeur is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de minister heeft toegezegd om de gegevens te wissen zodra die redenen van algemeen belang niet meer aanwezig zijn.
Hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet zo hoeft te zijn dat er brieven van ambtenaren bestaan waarin persoonsgegevens van hem zijn verwerkt en waaruit de aanleiding van zijn opneming in de FSV blijkt. Volgens hem is de door de minister in dit kader gegeven toelichting niet realistisch en moeten er brieven zijn waarin opdracht is gegeven zijn gegevens in de FSV op te nemen.
4.1.    In de besluiten van 20 oktober 2020 en 17 februari 2021 heeft de minister vermeld dat [appellant] in de FSV is opgenomen wegens mogelijke fraude met betrekking tot zijn aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2015. Bij de rechtbank heeft de minister toegelicht dat deze risico-inschatting waarschijnlijk geautomatiseerd is gegenereerd, waarna de gegevens door een ambtenaar in de FSV zijn opgenomen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de mededeling van de minister dat er geen brieven van ambtenaren bestaan waarin persoonsgegevens van [appellant] zijn verwerkt en waaruit de aanleiding van zijn opneming in de FSV blijkt niet ongeloofwaardig voorkomt. [appellant] heeft zijn stelling dat die brieven er moeten zijn, niet met concrete informatie onderbouwd.
Het betoog slaagt niet.
5.       Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 15, derde lid, van de AVG de minister niet verplicht om, naast het verstrekte overzicht, een kopie te verstrekken. Daartoe voert hij aan dat een betrokkene op grond van dat artikellid recht heeft op verstrekking van een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Volgens [appellant] moet die bepaling zo worden begrepen dat de minister niet kan volstaan met een overzicht. Bovendien kan hij niet vertrouwen op de volledigheid van de verstrekte gegevens als niet een kopie wordt verstrekt. Daarbij voert hij aan dat het bij het besluit van 20 oktober 2020 verstrekte overzicht onvolledig is, de verstrekte gegevens in de categorieën adres en beconnummer niet juist zijn en er gegevens zijn achtergehouden.
5.1.    In het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, ECLI:EU:C:2023:369, onder 35 tot en met 45 (hierna: het CRIF-arrest) heeft het Hof nadere uitleg gegeven over het inzagerecht van artikel 15 van Pro de AVG. Volgens het Hof moet de kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt en die de verwerkingsverantwoordelijke krachtens artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de AVG moet verstrekken, alle noodzakelijke kenmerken vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren (zie de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3067, onder 6.4).
5.2.    De minister heeft in het besluit van 20 oktober 2020 een overzicht gegeven van de in de FSV opgenomen persoonsgegevens van [appellant]. Het gaat om zijn gegevens in de categorieën achternaam, voorletters, adres, plaats, land en BSN. Daarbij heeft de minister een toelichting gegeven op de gegevensverwerking door de Belastingdienst, de doelen daarvan, de soorten persoonsgegevens die worden verwerkt, de geldende bewaartermijnen, de herkomst van persoonsgegevens en het delen van persoonsgegevens. In het besluit van 17 februari 2021 heeft de minister verder, volgens hem onverplicht, vermeld op welke data er ten aanzien van [appellant] mutaties in de FSV hebben plaatsgevonden. In het bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft de rechtbank aanvullend, volgens hem onverplicht, gegevens verstrekt in de categorieën soort fraude, middel, belastingjaar, datum event, competente eenheid, aantekeningen en beconnummer. Op de categorieën soort fraude en datum event heeft de minister een toelichting gegeven.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister [appellant] hiermee in staat heeft gesteld om de juistheid en rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren en de rechten die hij aan de AVG ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Dat de minister het verstrekte overzicht na het besluit van 20 oktober 2020 op de hiervoor beschreven wijze heeft aangevuld, leidt niet tot het oordeel dat de verstrekte persoonsgegevens niet volledig en getrouw zijn gereproduceerd. Dat sommige van de in de FSV opgenomen gegevens mogelijk onjuist zijn,  maakt dit niet anders. Het gaat er hier alleen om of de minister de in de FSV opgenomen persoonsgegevens heeft verstrekt, niet of de verstrekte gegevens juist zijn. Dat er gegevens zijn achterhouden, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de minister aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG voldaan.
Het betoog slaagt niet.
6.       [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de namen van de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de opneming van [appellant] in de FSV omwille van de privacy van die ambtenaren niet hoeven te worden verstrekt. Volgens hem hebben die ambtenaren hem ten onrechte in de FSV opgenomen en zijn de uitzonderingsbepalingen van de AVG niet bedoeld om onrechtmatig handelende ambtenaren te beschermen.
6.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de namen van de door [appellant] bedoelde ambtenaren geen persoonsgegevens van [appellant] zijn en dat de minister deze namen daarom niet hoefde te verstrekken. Artikel 15 van Pro de AVG geeft immers alleen recht op inzage in de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkene zelf. Gelet hierop kan het betoog van [appellant] niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dat betoog behoeft daarom geen inhoudelijke beoordeling.
7.       Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister wissing van zijn persoonsgegevens heeft mogen weigeren omdat verwerking van die gegevens nodig is voor het vervullen van een aantal taken van algemeen belang. Hij voert aan dat hij slechts wil dat zijn naam wordt verwijderd, omdat hij ten onrechte in de FSV is opgenomen. Volgens hem is het voor het vervullen van de door de rechtbank vermelde taken van algemeen belang niet nodig om zijn naam te bewaren. Hij wijst erop dat zijn naam ten behoeve van te verrichten onderzoek in kopie zou kunnen worden bewaard.
7.1.    In de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:226, heeft de Afdeling de rechtsvraag die ook hier aan de orde is beantwoord. In die uitspraak, onder 11 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat verwerking van de persoonsgegevens in de FSV voorlopig noodzakelijk is voor de vervulling van taken van algemeen belang. Die taken van algemeen belang zijn het herstel van de onrechtmatige nadelige gevolgen van de FSV en het afleggen van verantwoording in algemene zin over de FSV en de gevolgen daarvan.
In die uitspraak, onder 12.4, heeft de Afdeling verder geoordeeld dat het weigeren van de wissing in het daar voorliggende geval evenredig is. Ook in het geval van [appellant] komt de Afdeling gelet op wat [appellant] daartoe heeft aangevoerd tot die conclusie. Dat zijn persoonsgegevens ten onrechte in de FSV zijn verwerkt, maakt de weigering om die gegevens te wissen, mede gelet op de maatregelen die de minister heeft genomen om de verdere verwerking ervan te beperken, niet onevenredig.
7.2.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister het verzoek om wissing van de persoonsgegevens van [appellant] mocht afwijzen.
Het betoog slaagt niet.
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
9.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
620-1114
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 15, eerste en derde lid
1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a)       de verwerkingsdoeleinden;
b)       de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c)       de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d)       indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e)       dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f)        dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g)       wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h)       het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
[…]
3.  De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. […]
Artikel 17, eerste en derde lid
1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:
a)       de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt;
[…]
d)       de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;
[…]
3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:
[…]
b)       voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend;
[…]