ECLI:NL:RVS:2026:901

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
202305650/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:69a AwbArt. 5.2.2 planregelsArt. 3.1 planregelsArt. 4.1 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling bestemmingsplan voor zes woningen in Reeuwijk-Brug

De raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk stelde op 5 juli 2023 het bestemmingsplan '6 Woningen Halfweg, Reeuwijk-Brug' vast, waarmee de herontwikkeling van een perceel mogelijk wordt gemaakt voor de bouw van zes woningen. Diverse bewoners van aangrenzende percelen aan de Raadhuisweg, aangeduid als appellanten, maakten bezwaar tegen het plan en stelden beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De appellanten voerden onder meer aan dat het plangebied te klein zou zijn, dat er gezondheidsrisico's en geluidsoverlast zouden ontstaan, dat de maximale bouwhoogte onvoldoende was geregeld, dat het plan hun woongenot aantast en dat er onvoldoende parkeergelegenheid zou zijn. Ook werd betoogd dat de verkoop van het achterpad aan een private ontwikkelaar onrechtmatig was.

De Afdeling oordeelde dat de verkoop van het achterpad geen grond voor vernietiging van het bestemmingsplan vormt omdat dit niet over de ruimtelijke gevolgen gaat. Het plangebied is volgens de Afdeling groot genoeg voor zes woningen en de gezondheids- en geluidsrisico's betreffen belangen van toekomstige bewoners, niet van de appellanten zelf, waardoor het relativiteitsvereiste niet is vervuld. De maximale bouwhoogte van 3,5 meter is voldoende om opbouwen te voorkomen. De aantasting van woongenot door privacyverlies, lichthinder en geluidsoverlast is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De parkeerbehoefte is toereikend gemotiveerd en het plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. De overige betogen, waaronder over schade en zienswijzen, slagen niet. De beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitkomst: De beroepen tegen het bestemmingsplan voor zes woningen aan de Halfweg in Reeuwijk-Brug worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

202305650/1/R3.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.       [appellant sub 1], wonend in Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
2.       [appellant sub 2], wonend in Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
3.       [appellante sub 3A] en [appellant sub 3A] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend in Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
4.       [appellant sub 4], wonend in Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
5.       [appellant sub 5], wonend in Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
6.       [appellant sub 6], wonend in Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
7.       [appellant sub 7], wonend in Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "6 Woningen Halfweg, Reeuwijk-Brug" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 7] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 september 2025, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], allen vertegenwoordigd door [appellant sub 7], [appellant sub 7] en [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [appellant sub 3A], en de raad, vertegenwoordigd door B. Drost-Westland, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 16 februari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Met het bestemmingsplan wordt de herontwikkeling van een perceel aan de Halfweg, ten westen van de percelen Raadhuisweg 181 tot en met 195 mogelijk gemaakt. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de gronden van het plangebied aan de eigenaren van de aangrenzende woonpercelen verkocht zouden worden, maar hiervoor was onvoldoende belangstelling. De raad heeft daarom besloten om met dit bestemmingsplan op het perceel de realisatie van zes woningen mogelijk te maken. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] wonen allen in de woningen op de aan het plangebied grenzende percelen aan de Raadhuisweg. Zij kunnen zich om verschillende redenen niet verenigen met dit plan.
3.       [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben identieke beroepschriften ingediend en worden om die reden hierna aangeduid met [appellant sub 2] en anderen, tenzij anders aangegeven.
Toetsingskader
4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
De beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 1] en [appellant sub 4]
Ingetrokken beroepsgronden
5.       Op de zitting hebben [appellant sub 4] en [appellant sub 2] en anderen hun beroepsgrond over het niet uitsluiten van huurwoningen in de planregels ingetrokken.
Achterpad
6.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad zijn zorgplicht heeft geschonden en onrechtmatig heeft gehandeld door de grond van het achterpad en de openbare voorziening waar deze aan grenst zonder medeweten van de bewoners van de percelen Raadhuisweg 181 tot en met 195 te verkopen aan een private ontwikkelaar. Daardoor is volgens hen onduidelijk op welke wijze het achterpad gaat worden onderhouden en hoe de bewoners van de woningen waarin het plan voorziet het achterpad gaan gebruiken. Zij hebben de gemeente gevraagd de verkoop ongedaan te maken en haar verantwoordelijkheden ten aanzien van het achterpad te blijven uitvoeren.
6.1.    Deze beroepsgrond gaat niet over de ruimtelijke gevolgen van het vastgestelde bestemmingsplan, maar over de gevolgen van de verkoop van de gronden van het achterpad. Daarom kan deze beroepsgrond niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Plangebied ongeschikt voor zes woningen
7.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plangebied ongeschikt is voor de realisatie van zes woningen. Hierover voert [appellant sub 1] aan dat het plangebied te klein is voor de bouw van zes woningen, waardoor de woningen worden ingeklemd tussen de bestaande woningen en de garageboxen. Daarnaast voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen aan dat de woningen slechts op 150 m van de A12 gelegen zijn. Volgens [appellant sub 2] en anderen leidt dit tot gezondheidsrisico’s, met name voor kinderen en ouderen, terwijl deze woningen juist voor starters en ouderen bedoeld zijn. Tot slot voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat de naastgelegen tennisvereniging concrete plannen heeft om het aantal padelbanen uit te breiden van twee naar vier, waardoor de geluidsbelasting voor de te realiseren woningen onaanvaardbaar wordt.
7.1.    Het bestemmingsplan kent aan een deel van de gronden van het plangebied de bestemming "Wonen" toe. Aan een deel van de gronden met deze bestemming is de aanduiding "bouwvlak" toegekend en verder is met een aanduiding geregeld dat er binnen het bouwvlak maximaal zes wooneenheden gerealiseerd mogen worden. De gronden met de bestemming "Wonen" hebben een oppervlakte van ongeveer 640 m2. Het hiervoor bedoelde bouwvlak ziet op gronden met een oppervlakte van ongeveer 460 m2. De raad heeft in paragraaf 2.2 van de plantoelichting toegelicht dat het plan is om zes woningen met een oppervlakte van ongeveer 75 m2 te realiseren. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plangebied te klein is voor zes woningen.
7.2.    Over wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd over de gezondheidsrisico’s en de geluidbelasting ter plaatse van de woningen die het plan mogelijk maakt, overweegt de Afdeling als volgt.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
Naar het oordeel van de Afdeling beroepen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zich met wat zij hebben aangevoerd over de gezondheidsrisico’s en de geluidbelasting ter plaatse van de woningen die het plan mogelijk maakt, niet op een aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening dat betrekking heeft op hun eigen belangen, maar op de belangen van anderen. Wat zij hierover hebben aangevoerd heeft immers betrekking op het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van de in het plan voorziene woningen. De Afdeling is van oordeel dat het relativiteitsvereiste, zoals dat volgt uit artikel 8:69a van de Awb, daarom in zoverre in de weg staat aan de vernietiging van het plan. Om die reden ziet de Afdeling af van een inhoudelijke beoordeling van deze gronden. Vergelijk de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.10 tot en met 10.12.
Maximale bouwhoogte
8.       [appellant sub 4] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat in de planregels ten onrechte niet is uitgesloten dat op de in het plan voorziene woningen een opbouw wordt gerealiseerd. Volgens [appellant sub 2] en anderen is het niet voldoende dat de raad heeft aangegeven dat waarschijnlijk niet wordt meegewerkt aan toekomstige aanvragen voor de realisatie van een opbouw. Zij wijzen erop dat de afstand tussen hun woningen en de in het plan voorziene woningen dusdanig kort is, dat de realisatie van een opbouw zou leiden tot lichthinder en een afname van hun privacy. [appellant sub 4] verzoekt verder om de garantie dat er op de te realiseren woningen in de komende dertig jaar geen etage mag worden opgebouwd.
8.1.    De Afdeling stelt vast dat het plan ter plaatse van het bouwvlak op de gronden met de bestemming "Wonen" voorziet in de aanduiding "maximum bouwhoogte: 3,5 m". Op grond van artikel 5.2.2, aanhef en onder d, van de planregels mag de bouwhoogte van de woningen daarom niet meer bedragen dan 3,5 m. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee voldoende in de planregels geborgd dat op de in het plan voorziene woningen geen opbouw kan worden gerealiseerd. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor [appellant sub 4] en [appellant sub 2] en anderen gewaarborgd is.
Daarnaast ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onvoldoende is dat de raad heeft aangegeven dat waarschijnlijk niet wordt meegewerkt aan toekomstige aanvragen voor de realisatie van een opbouw, of dat de raad moet garanderen dat er op de te realiseren woningen in de komende dertig jaar geen etage mag worden opgebouwd. De Afdeling betrekt daarbij dat, in het geval dat in de toekomst alsnog wordt besloten om een opbouw op de in het plan voorziene woningen planologisch mogelijk te maken, er tegen dat besluit zelfstandige rechtsmiddelen open zullen staan.
Het betoog slaagt niet.
Aantasting woongenot
9.       [appellant sub 1] en [appellant sub 4] betogen dat de in het plan voorziene woningen leiden tot een aantasting van hun woongenot. Hierover voeren zij aan dat het realiseren van woningen op zo’n korte afstand van hun woningen leidt tot aantasting van hun privacy en tot lichthinder en geluidsoverlast. Volgens [appellant sub 4] moet in de planregels worden uitgesloten dat de in het plan voorziene woningen zorgen voor felle verlichting in zijn tuin.
9.1.    De raad heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat de in het plan voorziene woningen worden gebouwd in een stedelijk gebied waar al meerdere woningen aanwezig zijn. Verder heeft de raad toegelicht dat de aantasting van de privacy en de aantasting van het woongenot door lichthinder door de in het plan voorziene woningen minimaal zal zijn, omdat de maximale bouwhoogte van die woningen 3,5 m bedraagt en de woningen slechts uit één bouwlaag zullen bestaan.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee toereikend gemotiveerd dat het plan wat betreft lichthinder en privacy niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen die grenzen aan het plangebied. De Afdeling ziet mede daarom geen aanleiding voor het oordeel dat vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is om in de planregels te borgen dat de aan het plangebied grenzende tuinen niet worden blootgesteld aan felle verlichting.
De kortste afstand tussen de met het plan mogelijk gemaakte woningen en de woningen aan de Raadhuisweg bedraagt ongeveer 11 m. Door alleen te wijzen op deze afstand, die in een stedelijke omgeving niet ongebruikelijk is, hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 4] evenmin aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare geluidsoverlast.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
10.     [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] betogen dat de in het plan voorziene ontwikkeling leidt tot een toename van de parkeeroverlast. Hierover voeren zij aan dat de parkeerdruk op de Raadhuisweg en de Halfweg al hoog is. Door de te realiseren woningen zal de parkeerdruk volgens hen alleen maar toenemen, ondanks dat het plan ook voorziet in de realisatie van tien parkeerplaatsen.
10.1.  Het plan kent aan de gronden ten noorden en de gronden ten zuiden van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" de bestemming "Groen" toe. Aan delen van die bestemmingsvlakken kent het plan de functieaanduiding "parkeerterrein" toe. Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder e, van de planregels mogen die gronden gebruikt worden om te parkeren. Verder is aan een deel van het plangebied de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn ook die gronden onder meer bestemd voor parkeervoorzieningen.
Daarnaast is in artikel 11.1 van de planregels een voorwaardelijke verplichting over parkeren opgenomen, die als volgt luidt:
"Het planologisch toegelaten gebruik van gronden, zoals na oprichting van een gebouw en bij verandering van functie of uitbreiding van bestaand gebruik, is slechts toegestaan als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen en in stand wordt gehouden. Bij een aanvraag omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag pas een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening als er sprake is van voldoende parkeergelegenheid en voldoende laad- en losvoorzieningen. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien:
a. voldaan wordt aan de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning;
b. voldaan wordt aan de verdere eisen die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning."
10.2.  Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen van de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen aan de orde zal komen, dient de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Vergelijk de uitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1727, onder 6.2.
10.3.  De raad heeft in paragraaf 2.3 van de plantoelichting toegelicht dat bij het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de Nota parkeernormen van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk uit 2016. Op basis daarvan ontstaat er door de in het plan voorziene woningen een extra parkeerbehoefte van negen parkeerplaatsen. De raad schrijft in de plantoelichting echter dat in het plangebied tien parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd.
Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling toereikend gemotiveerd dat kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien. Er bestaat daarom geen aanleiding voor de conclusie dat het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Plan leidt tot schade
11.     [appellant sub 4] betoogt dat de in het plan voorziene ontwikkeling leidt tot schade. Hierover voert hij aan dat de in het plan voorziene ontwikkeling het risico op verzakking van de grond vergroot, wat voor hem tot schade kan leiden. Ook daalt zijn woning volgens hem in waarde door de in het plan voorziene ontwikkeling. De raad moet hem compenseren voor de waardedaling van zijn woning en alle schade die aantoonbaar uit de bouw van de woningen voortvloeit, aldus [appellant sub 4].
11.1.  [appellant sub 4] heeft zijn betoog over het risico op verzakking van de grond niet nader onderbouwd. Wat hij hierover heeft aangevoerd, geeft alleen daarom al geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld.
Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 4] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Verwijzing zienswijze en overige gronden
12.     [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben voor het overige in hun beroepschriften verzocht om de inhoud van hun zienswijzen als herhaald en ingelast te beschouwen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Verder overweegt de Afdeling dat wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd over het verbieden van snelgroeiende bomen in de tuinen achter de in het plan voorziene woningen en over het realiseren van een speelplaats voor kinderen in het plangebied, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins met het recht.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13.     De beroepen zijn ongegrond.
14.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Lap
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
288-1117