AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag en verwijzing naar rechtbank
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister nog geen besluit had genomen. Inmiddels heeft de minister op 23 januari 2026 de aanvraag afgewezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, mede vanwege lopende prejudiciële procedures bij het Hof van Justitie over de verlenging van beslistermijnen. De Afdeling wijst erop dat de minister de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van eventuele verlengingen.
De Afdeling veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, stelt het hoger beroep niet-ontvankelijk en verwijst het beroep tegen het besluit van 23 januari 2026 naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, die in eerste aanleg asielbesluiten toetst. Hierdoor blijft de mogelijkheid tot hoger beroep tegen dat oordeel open.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 23 januari 2026 is verwezen naar de rechtbank Den Haag.
Uitspraak
202407847/1/V1.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 25 november 2024 in zaak nr. NL24.32410 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 25 november 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. Y.G.F.M. Coenders, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag. Dat heeft de minister bij het besluit van 23 januari 2026 wel gedaan. Wat appellant aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
3. Het voorgaande heeft geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 23 januari 2026 de aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 15 december 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 23 januari 2026
5. Het besluit van 23 januari 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De minister heeft in dat besluit de asielaanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, de Afdeling laten weten het niet eens te zijn met dat besluit.
6. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 23 januari 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verwijst het beroep tegen het besluit van 23 januari 2026, V-294.271.6256, naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.