ECLI:NL:RVS:2026:873

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
202506131/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2:34h APV SoestArt. 2:34g APV SoestArt. 3 Wet bevordering integriteitsbeoordelingen in het openbaar bestuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing exploitatievergunning autobedrijf wegens slecht levensgedrag en afwijkende feitelijke exploitatie

De burgemeester van Soest wees op 15 november 2024 de aanvraag van verzoekster om een exploitatievergunning voor een autobedrijf af. Dit volgde op een eerder besluit uit 2021 waarin het bedrijfspand was aangewezen als locatie waar zonder vergunning geen bedrijfsmatige activiteiten mogen plaatsvinden. De burgemeester baseerde de afwijzing op drie gronden: de feitelijke exploitatie kwam niet overeen met de aanvraag, de feitelijke exploitant werd van slecht levensgedrag beticht, en er was een ernstig gevaar dat de vergunning zou worden gebruikt voor strafbare feiten.

Verzoekster stelde beroep in tegen deze afwijzing, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond. Zij verzocht vervolgens om een voorlopige voorziening om tijdens het hoger beroep als vergunninghouder te worden behandeld. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was vanwege dreigend faillissement, maar dat het voorlopige rechtmatigheidsoordeel wees op instandhouding van het besluit tot afwijzing.

De voorzieningenrechter volgde de burgemeester en rechtbank in het oordeel dat niet verzoekster, maar haar echtgenoot feitelijk de exploitant was, die van slecht levensgedrag werd geacht. Ook was er geen geldige beheerder in de relevante periode. De voorzieningenrechter wees het verzoek tot voorlopige voorziening af, omdat het niet juist is verzoekster als vergunninghouder te behandelen als het besluit waarschijnlijk in stand blijft.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het besluit tot weigering van de exploitatievergunning blijft waarschijnlijk in stand.

Uitspraak

202506131/2/A3.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 21 november 2025 in zaak nr. 25/3751 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de burgemeester van Soest.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2024 heeft de burgemeester de aanvraag van [verzoekster] om een exploitatievergunning voor de uitoefening van een autobedrijf afgewezen.
Bij besluit van 11 juni 2025 heeft de burgemeester het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 november 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester en [verzoekster] hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 februari 2026, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. J.B.M. Swart, advocaat in Almere, en de burgemeester, vertegenwoordigd door K.M.J. Floren, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.       In 2021 heeft de burgemeester het bedrijfspand aan de [locatie] in Soest aangewezen als gebouw waarin het verboden is om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Dit besluit is onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1425.
[verzoekster] heeft een exploitatievergunning aangevraagd voor het uitoefenen van een autoverkoop- en garagebedrijf in het bedrijfspand. De burgemeester heeft de aanvraag om drie redenen afgewezen. Ten eerste komt de feitelijke exploitatie van het bedrijf niet overeen met de aanvraag. Ten tweede is de feitelijke exploitant/beheerder volgens de burgemeester van slecht levensgedrag. En ten derde stelt de burgemeester dat er een ernstig gevaar is dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen. De rechtbank was het met de burgemeester eens en heeft het beroep van [verzoekster] ongegrond verklaard.
3.       [verzoekster] wil met het verzoek bewerkstelligen dat zij voor de duur van de hogerberoepsprocedure wordt behandeld als ware zij in het bezit van een vergunning voor de exploitatie van het autobedrijf.
4.       De burgemeester betoogt dat het spoedeisend belang van [verzoekster] bij het verzoek ontbreekt.
De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. [verzoekster] heeft door middel van een overzicht inzicht gegeven in de financiële situatie van het autobedrijf en van haarzelf. Hierin staat onder meer dat [verzoekster] haar zakelijke - en privékosten deze maand niet heeft kunnen voldoen. Gelet op het overzicht en de toelichting ter zitting acht de voorzieningenrechter niet onaannemelijk dat een faillissement dreigt. Voor zover de burgemeester nog heeft gesteld dat het autobedrijf kan worden voortgezet op de andere locatie van het bedrijf, is ter zitting toegelicht dat daar geen fysieke ruimte is voor de autoreparaties.
5.       Artikel 2:34h, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening Soest 2022 (APV) luidt: "Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: (a.) in een door de burgemeester op grond van artikel 2:34g, tweede lid, aangewezen gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten […]."
Het derde lid, aanhef en onder b en c, luidt: "De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren: (b.) indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; (c.) indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn."
6.       De voorzieningenrechter zal het verzoek beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Hij verwacht dat het besluit tot afwijzing van de exploitatievergunning in hoger beroep in stand zal blijven en licht dit als volgt toe.
Uit de aanvraag van 30 augustus 2022 volgt dat [verzoekster] de exploitant is en dat [persoon A] de feitelijke leidinggevende/beheerder is. Uit verschillende rapportages van bevindingen en proces-verbalen over de periode van oktober 2022 tot februari 2024 volgt dat [persoon B], de echtgenoot van [verzoekster], meermaals heeft verklaard dat hij de bedrijfsleider of eigenaar van het bedrijf is. Het argument van [verzoekster] dat aan die verklaringen geen waarde moet worden gehecht omdat zij uit hun verband zijn getrokken, overtuigt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter volgt de rechtbank in zoverre in haar oordeel dat niet [verzoekster] maar [persoon B] feitelijk de exploitant/beheerder van het autobedrijf was. Ook heeft [verzoekster] onvoldoende motivering gegeven waarom zijzelf en [persoon A] bij controles op het bedrijf niet zijn aangetroffen. Verder is in dit verband van belang dat uit de stukken blijkt dat [persoon A] sinds september 2023 niet meer in dienst was en dat [persoon C] per 12 maart 2025 de beheerder zou zijn. Daargelaten nog dat deze wijziging kennelijk niet aan de burgemeester is gemeld, was er in de periode van september 2023 tot maart 2025 in juridische zin geen beheerder. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de burgemeester redelijkerwijs mocht aannemen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zou zijn, zoals bedoeld in artikel 2:34h, derde lid, aanhef en onder c, van de APV.
Gelet op het voorgaande is vooralsnog aannemelijk dat [persoon B] gedurende enige tijd feitelijk de exploitant en beheerder van het autobedrijf was. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij het met de burgemeester eens is dat [persoon B] van slecht levensgedrag is, zoals bedoeld in artikel 2:34h, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. De voorzieningenrechter kan ook dit oordeel van de rechtbank vooralsnog volgen. Wat [verzoekster] in dit verband heeft aangevoerd, komt neer op een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog niet in waarom op dit punt aan de uitspraak van de rechtbank moet worden getwijfeld.
Wat [verzoekster] over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen in het openbaar bestuur heeft aangevoerd, hoeft gelet op wat over de andere weigeringsgronden is overwogen niet meer te worden besproken.
7.       Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
De voorzieningenrechter realiseert zich dat dit oordeel vergaande consequenties heeft voor (het bedrijf van) [verzoekster]. Het is echter niet juist om haar te behandelen als ware zij in het bezit van een exploitatievergunning als mag worden aangenomen dat het weigeringsbesluit in de bodemzaak in stand zal blijven.
8.       De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Konings
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
612