ECLI:NL:RVS:2026:82

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
202302594/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking horeca-exploitatievergunning na aantreffen van drugs en wapens in horecagelegenheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellanten, [appellant A] en [appellant B], tegen de intrekking van hun horeca-exploitatievergunning door de burgemeester van Sittard-Geleen. De burgemeester heeft de vergunning ingetrokken op basis van bevindingen van de politie, die tijdens een strafrechtelijk onderzoek in de horeca-inrichting drugs en wapens heeft aangetroffen. De burgemeester concludeerde dat appellanten hebben toegestaan dat deze strafbare feiten in hun horecagelegenheid plaatsvonden. De rechtbank Limburg heeft het beroep van appellanten tegen de intrekking van de vergunning ongegrond verklaard, waarna appellanten in hoger beroep zijn gegaan.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat de burgemeester terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de vergunning in te trekken. De Afdeling oordeelt dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat de aanwezigheid van drugs en wapens in de horeca-inrichting een ernstige overtreding vormt. Appellanten betoogden dat de burgemeester met een waarschuwing had moeten volstaan, maar de Afdeling oordeelt dat de burgemeester redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de situatie ernstig genoeg was voor intrekking van de vergunning.

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 14 januari 2026.

Uitspraak

202302594/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B], beiden wonend in Sittard-Geleen (hierna tezamen en in mannelijk enkelvoud: [appellanten]),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 maart 2023 in zaak nr. 20/2918 in het geding tussen:
[appellanten] en de V.O.F.
en
de burgemeester van Sittard-Geleen.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2020 heeft de burgemeester de horeca-exploitatievergunning van [appellanten] ingetrokken.
Bij besluit van 30 september 2020 heeft de burgemeester het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nummer 202302594/1/A3, op een zitting behandeld op 24 oktober 2025, waar [appellanten], mede als vertegenwoordiger van de V.O.F., vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.A. De Bruijne, mr. R.A.H. Vlecken en P.M. Hellebrand, digitaal aan hebben deelgenomen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Inleiding
1.       Bij besluit van 11 december 2018 heeft de burgemeester aan [appellanten] een vergunning verleend voor het exploiteren van het horecabedrijf [lunchroom] aan de [locatie] in Sittard. Naar aanleiding van twee Meld Misdaad Anoniem meldingen (hierna: MMA-meldingen) en een proces-verbaal van Team Criminele Inlichtingen van de politie heeft de politie een strafrechtelijk onderzoek gedaan in de horeca-inrichting. Van dit onderzoek is op 28 januari 2020 een bestuurlijke rapportage opgesteld. Hierin is opgenomen dat 13,3 gram hennep en 7,4 gram hasj in de keuken zijn aangetroffen. In het systeemplafond is 0,77 gram hennep aangetroffen en in de jas van de zoon van [appellanten] zijn 5 gram hasj, 6 XTC-pillen en ongeveer 0,5 gram vermoedelijk cocaïne gevonden. Verder zijn in de horeca-inrichting drie digitale weegschalen, een stroomstootwapen en € 12.825,54 aan contant geld aangetroffen. Ook zijn 750 Kamagra pillen en 259 Kamagra gels gevonden.
1.1.    De burgemeester heeft vanwege het voorgaande bij besluit van 23 april 2020 de horeca-exploitatievergunning van [appellanten] ingetrokken op grond van artikel 2:28c, tweede lid, sub a van de Algemene plaatselijke verordening Sittard-Geleen (hierna: de APV) en overeenkomstig het Horeca exploitatievergunningenbeleid (HEV) 2014 - 2018 gemeente Sittard-Geleen (hierna: het Horeca-exploitatievergunningenbeleid) en de daarbij horende bijlage 1B. De burgemeester heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat [appellanten] heeft toegestaan dan wel heeft gedoogd dat er drugs in [lunchroom] aanwezig waren. Dit besluit heeft hij in bezwaar gehandhaafd.
1.2.    Daarnaast heeft de burgemeester bij besluit van 14 april 2020 de horeca-inrichting met ingang van 22 april 2020 gesloten voor twaalf maanden. De sluiting van de horeca-inrichting komt aan de orde in zaak 202302591/1/A3. De Afdeling heeft hierover in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:81, geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de horeca-inrichting te sluiten en dat de sluiting van de horeca-inrichting voor twaalf maanden evenredig is.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de horeca-exploitatievergunning. De burgemeester mocht er van uitgaan dat [appellanten] wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs in [lunchroom]. De gevolgen van de intrekking voor [appellanten] zijn evenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, namelijk het algemeen belang en de bescherming van de openbare orde en veiligheid. De burgemeester heeft hieraan meer gewicht mogen toekennen dan de belangen van [appellanten], aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Intrekking van de horeca-exploitatievergunning op grond van de APV
3.       [appellanten] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de horeca-exploitatievergunning mocht intrekken. Hiertoe voert hij aan dat de sluiting van de horeca-inrichting op grond van artikel 13b van de Opiumwet niet betekent dat in de horeca-inrichting strafbare feiten werden gepleegd of dat hij die strafbare feiten heeft toegestaan. [appellanten] wordt niet strafrechtelijk vervolgd. Daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 2:28c, tweede lid, sub a van de APV. Ook heeft de burgemeester zijn besluit onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellanten].
4.       Artikel 2, aanhef en onder c, van de Opiumwet luidt: "Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid aanwezig te hebben;".
Artikel 3, aanhef en onder c, van de Opiumwet luidt: "Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid aanwezig te hebben;".
Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet luidt: "Hij die handelt in strijd met een in artikel 2, het in artikel 3b, eerste lid, of een in artikel 4, derde lid, gegeven verbod wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie."
Artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet luidt: "Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie."
Artikel 2:28c, tweede lid, aanhef en sub a, van de APV luidde ten tijde van belang: "De burgemeester kan de vergunning intrekken indien de leidinggevende(n) van een inrichting toestaat(n) dan wel gedoogt(en) dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd;".
4.1.    Uit de hiervoor genoemde bepalingen van de Opiumwet volgt dat het aanwezig hebben van soft- en harddrugs strafbaar is. Hiermee is voldaan aan de voorwaarde van artikel 2:28c, tweede lid, sub a van de APV dat in de inrichting strafbare feiten werden gepleegd. Dat [appellanten] niet strafrechtelijk is veroordeeld betekent niet direct dat er geen strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Overigens is naast de soft- en harddrugs ook een stroomstootwapen aangetroffen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester gelet hierop gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de horeca-exploitatievergunning. Daarbij heeft hij zijn besluit voldoende gemotiveerd.
Het betoog slaagt niet.
Toepassing van het Horeca-exploitatievergunningenbeleid
5.       [appellanten] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester gelet op het Horeca-exploitatievergunningenbeleid met een waarschuwing had moeten volstaan. In het Horeca-exploitatievergunningenbeleid is namelijk niet duidelijk opgenomen wat een ernstige overtreding is. Het Horeca-exploitatievergunningenbeleid is op dit punt onduidelijk en daarom had de burgemeester dit beleid niet mogen toepassen, aldus [appellanten].
6.       In punt 10 van het Horeca-exploitatievergunningenbeleid staat dat van het opleggen van een waarschuwing voorafgaand aan de handhavingsbeschikking kan worden afgezien indien de overtreding te ernstig is. In de daarbij behorende bijlage 1B staat dat als bij aanwezigheid van harddrugs in een inrichting geen nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd die nopen tot het afzien van handhaving, naast onmiddellijke sluiting van de inrichting ook de vergunning op grond van artikel 2:28c van de APV wordt ingetrokken.
Gelet op de hiervoor opgenomen tekst komt aan de burgemeester beoordelingsruimte toe bij het invullen van de term ‘ernstige overtreding’. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop de burgemeester van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt, in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of de burgemeester redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen.
6.1.    De burgemeester heeft zich in het besluit van 30 september 2020 op het standpunt gesteld dat de gevonden soft- en harddrugs, de digitale weegschalen, het stroomstootwapen, de cash en de Kamagra maken dat sprake is van een ernstige overtreding. In hoger beroep heeft de burgemeester verder toegelicht dat ook de omstandigheid dat [lunchroom] een openbaar toegankelijke horeca-inrichting in een woonwijk is, eraan heeft bijgedragen dat sprake is van een ernstige overtreding. De veiligheid van bezoekers kan, gelet op de aanwezigheid van de diverse verboden middelen, niet worden gegarandeerd. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich, gelet op de in de bestuurlijke rapportage opgenomen bevindingen en zijn nadere toelichting, redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een ernstige overtreding. Van een onduidelijk beleid is in dit geval geen sprake.
Het betoog slaagt niet.
Evenredigheid
7.       [appellanten] betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gevolgen van de intrekking van de horeca-exploitatievergunning voor [appellanten] evenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Hiertoe voert hij aan dat [appellanten] zijn horeca helemaal niet meer kan exploiteren en daardoor financieel verlies lijdt. Daarnaast kan [appellanten] geen verwijt worden gemaakt en is hij niet strafbaar vervolgd. Ook voert hij aan dat het nemen van twee maatregelen, namelijk de intrekking van de horeca-exploitatievergunning én de sluiting van de horeca-inrichting voor twaalf maanden, onevenredig is. Dit heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend, aldus [appellanten].
8.       [appellanten] heeft zijn standpunt wat betreft het financieel verlies zowel in beroep als in hoger beroep niet onderbouwd. De rechtbank heeft gelet hierop geen aanleiding hoeven zien om te oordelen dat de burgemeester het algemeen belang en de bescherming van de openbare orde en veiligheid niet van groter belang heeft mogen achten dan de financiële belangen van [appellanten].
Verder heeft de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat van [appellanten] mocht worden verwacht dat hij op de hoogte was van wat zich in de horeca-inrichting afspeelde. Zo had hem in ieder geval op moeten vallen dat in de keuken hennep, hasj en Kamagra pillen lagen en achter de verkoopbalie een stroomstootwapen en Kamagra gels lagen. Hij had daarop actie moeten ondernemen. Naar het oordeel van de Afdeling valt [appellanten] wel een verwijt te maken. Dat hij niet strafrechtelijk is vervolgd, maakt dat niet anders.
Wat betreft de cumulatie van de maatregelen heeft de burgemeester in hoger beroep toegelicht dat de maatregelen zijn gebaseerd op verschillende overtredingen en zijn genomen op grond van verschillende bevoegdheden. Op de zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester nader toegelicht dat [appellanten] het vertrouwen van de burgemeester, mede op grond waarvan de burgemeester de horeca-exploitatievergunning heeft verstrekt, heeft verbroken. Gelet op deze feiten en omstandigheden en de toelichting van de burgemeester op de zitting is de Afdeling van oordeel dat de cumulatie van de intrekking van de horeca-exploitatievergunning en de sluiting van de horeca-inrichting voor twaalf maanden niet onevenredig is in verhouding tot de te dienen doelen.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
9.       Tot slot betoogt [appellanten] dat de rechtbank in deze procedure niet met een enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn had moeten volstaan. Dat er twee procedures zijn die nagenoeg op hetzelfde feitencomplex zijn gebaseerd laat onverlet dat het in deze procedure gaat om een intrekking van de horeca-exploitatievergunning die aan [appellanten] als natuurlijk persoon is verleend waar de V.O.F. geen partij is, terwijl het in de andere procedure gaat om een tijdelijke sluiting van de horeca-inrichting, waar de V.O.F. wel partij is. De rechtbank had volgens [appellanten] ook in deze zaak een schadevergoeding moeten toekennen. Ook verzoekt [appellanten] in hoger beroep om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
10.     Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze zaak en de zaak ECLI:NL:RVS:2026:81 over hetzelfde feitencomplex gaan en gezamenlijk zijn behandeld bij de rechtbank én de Afdeling, zodat niet aannemelijk is dat door de tweede procedure extra spanning en frustratie bij [appellanten] als natuurlijk persoon is veroorzaakt. Dat betekent dat in één procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden en dat voor de andere zaak slechts eenmaal het forfaitaire bedrag aan schadevergoeding wordt gehanteerd. De rechtbank heeft gelet hierop terecht in haar uitspraak in deze zaak volstaan met een vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, en in haar uitspraak over de sluiting van de horeca-inrichting de Staat der Nederlanden veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.000,00 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:81, onder 8. tot en met 10., volstaat de Afdeling in deze procedure ook met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
Slotsom
11.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
12.     Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
13.     De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
85-990