ECLI:NL:RVS:2026:81

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
202302591/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid burgemeester tot sluiting horeca-inrichting wegens drugshandel

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een V.O.F. en haar vennoten tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, die de sluiting van hun horeca-inrichting door de burgemeester van Sittard-Geleen heeft bevestigd. De burgemeester had de horeca-inrichting op 14 april 2020 voor twaalf maanden gesloten op basis van artikel 13b van de Opiumwet, na het aantreffen van aanzienlijke hoeveelheden drugs en andere verdachte goederen tijdens een politieonderzoek. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om de sluiting op te leggen, en dat de V.O.F. en haar vennoten niet voldoende bewijs hadden geleverd dat de aangetroffen middelen niet voor verkoop of verstrekking bestemd waren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting noodzakelijk was, gezien de ernst van de overtredingen en de context van drugsoverlast in de regio. Tevens wordt de Staat der Nederlanden veroordeeld tot schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

202302591/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[vennootschap], gevestigd in Sittard-Geleen, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], en [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend in Sittard-Geleen, (hierna tezamen en in enkelvoud: [vennoot])
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 maart 2023 in zaak nr. 20/2917 in het geding tussen:
de V.O.F. en [vennoot]
en
de burgemeester van Sittard-Geleen.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2020 heeft de burgemeester de horeca-inrichting aan de [locatie 1] in Sittard voor twaalf maanden gesloten.
Bij besluit van 30 september 2020 heeft de burgemeester het door de V.O.F. en [vennoot] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 maart 2023 heeft de rechtbank het door de V.O.F. en [vennoot] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de Staat der Nederlanden veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.000,00 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Tegen deze uitspraak hebben de V.O.F. en [vennoot] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nummer 202302594/1/A3, op een zitting behandeld op 24 oktober 2025, waar [vennoot], mede als vertegenwoordiger van de V.O.F., vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.A. De Bruijne, mr. R.A.H. Vlecken en P.M. Hellebrand, digitaal aan hebben deelgenomen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Inleiding
1.       [vennoot] huurde de horeca-inrichting aan de [locatie 1] in Sittard en exploiteerde daar [lunchroom]. Naar aanleiding van twee Meld Misdaad Anoniem meldingen (hierna: MMA-meldingen) en een proces-verbaal van Team Criminele Inlichtingen van de politie heeft de politie een strafrechtelijk onderzoek gedaan naar de horeca-inrichting. Van dit onderzoek is op 28 januari 2020 een bestuurlijke rapportage opgesteld. Hierin is opgenomen dat in de horeca-inrichting 13,3 gram hennep en 7,4 gram hasj in de keuken zijn aangetroffen. In het systeemplafond is 0,77 gram hennep aangetroffen en in een jas van de zoon van [vennoot] zijn 5 gram hasj, 6 XTC-pillen en ongeveer 0,5 gram vermoedelijk cocaïne gevonden. Verder zijn in de horeca-inrichting drie digitale weegschalen, een stroomstootwapen en € 12.825,54 aan contant geld aangetroffen. Ook zijn 750 Kamagra pillen en 259 Kamagra gels gevonden.
1.1.    De burgemeester heeft vanwege het voorgaande de horeca-inrichting met ingang van 22 april 2020 voor twaalf maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig het Besluit van de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen houdende regels omtrent Damoclesbeleid (Damoclesbeleid Sittard-Geleen). De burgemeester vindt aannemelijk dat de drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Hierbij hecht de burgemeester belang aan de overschrijding van de toegestane gebruikershoeveelheid, de overige in de horeca-inrichting gevonden goederen, de twee MMA-meldingen en het proces-verbaal van Team Criminele Inlichtingen. Van bijzondere omstandigheden om af te wijken van de beleidsregels is de burgemeester niet gebleken. De burgemeester heeft zijn besluit in bezwaar gehandhaafd.
1.2.    Ook heeft de burgemeester bij besluit van 23 april 2020 de horeca-exploitatievergunning van [vennoot] ingetrokken. De intrekking van de horeca-exploitatievergunning komt aan de orde in zaak 202302594/1/A3. De Afdeling heeft hierover in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:82, onder meer geoordeeld dat de burgemeester gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de horeca-exploitatievergunning. De burgemeester heeft zich, mede gelet op de in de bestuurlijke rapportage opgenomen bevindingen, redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een ernstige overtreding. Ook is de Afdeling van oordeel dat de cumulatie van de intrekking van de horeca-exploitatievergunning en de sluiting van de horeca-inrichting voor twaalf maanden niet onevenredig is in verhouding tot de te dienen doelen.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de horeca-inrichting te sluiten. De V.O.F. en [vennoot] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen verdovende middelen niet voor verkoop, verstrekking of aflevering bestemd waren. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de uitslag van de test van de verdovende middelen niet juist was. Gelet op de overschrijding van de maximale hoeveelheid van softdrugs en harddrugs voor eigen gebruik en de aangetroffen attributen is volgens de rechtbank aannemelijk dat de horeca-inrichting een rol vervulde binnen de keten van drugshandel. De rechtbank is verder van oordeel dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een ernstige overtreding en dat sluiting daarom noodzakelijk was. Gelet op alle omstandigheden die in de bestuurlijke rapportage zijn opgenomen was de burgemeester niet gehouden om met een minder verstrekkende maatregel te volstaan. De rechtbank heeft daarna geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de duur van de sluiting van twaalf maanden niet onevenwichtig is. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden en heeft daarom de Staat der Nederlanden veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.000,00.
Beoordeling van het hoger beroep
3.       In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
Bevoegdheid van de burgemeester
4.       De V.O.F. en [vennoot] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de horeca-inrichting te sluiten. Hiertoe voeren zij aan dat de Kamagra pillen en gels geen middelen zijn zoals bedoeld in de Opiumwet. De in de horeca-inrichting gevonden attributen waren bestemd voor de bereiding van producten. Ook heeft de politie geen stroomstootwapen gevonden maar een op een taser lijkende zaklamp zonder de functie van een stroomstootwapen. De burgemeester had de gevonden Kamagra pillen en gels en deze attributen daarom niet ten grondslag mogen leggen aan de sluiting van de horeca-inrichting. De rechtbank is in haar uitspraak onvoldoende ingegaan op deze in de horeca-inrichting gevonden middelen en attributen. Hiermee heeft zij in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gehandeld. Daarnaast voeren zij aan dat de MMA-meldingen niet betrouwbaar zijn, zeker nu één van de MMA-meldingen geen betrekking heeft op de horeca-inrichting en daarom niet kan bijdragen aan de besluitvorming van de burgemeester.
5.       De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een inrichting een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (hierna kortweg: drugs, harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de inrichting voor een bepaalde periode wordt gesloten. De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een inrichting in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de inrichting aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
5.1.    Naar het oordeel van de Afdeling was de burgemeester bevoegd om de horeca-inrichting te sluiten. Voor dit oordeel is doorslaggevend dat de politie in de horeca-inrichting ongeveer 14 gram hennep, ongeveer 7 gram hasj, 6 XTC-pillen en ongeveer 0,5 gram vermoedelijk cocaïne heeft gevonden. Daardoor kon de burgemeester er in beginsel van uitgaan dat de aangetroffen hoeveelheid drugs (mede) bestemd was voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Dat ook andere attributen zijn aangetroffen, naar gesteld bestemd voor de bereiding van producten, geeft de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Verder blijkt nergens uit dat de burgemeester of de rechtbank doorslaggevende waarde hebben gehecht aan de aangetroffen Kamagra pillen en gels. Dat het stroomstootwapen een op een taser lijkende zaklamp zonder de functie van een stroomstootwapen is, hebben de V.O.F. en [vennoot] in het geheel niet onderbouwd.
5.2.    In artikel 8:69, eerste lid, van de Awb staat dat de bestuursrechter uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Anders dan de V.O.F. en [vennoot] betogen, is de rechtbank voldoende ingegaan op de beroepsgronden over de in de horeca-inrichting gevonden middelen en attributen. Zo heeft de rechtbank in overweging 14. van haar uitspraak overwogen dat de V.O.F. en [vennoot] niet hebben onderbouwd dat het geld bestemd was overname van onroerend goed of het betalen van leveranciers. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de V.O.F. en [vennoot] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de aangetroffen weegschalen enkel werden gebruikt voor het bereiden van producten in de keuken. De Afdeling ziet in wat de V.O.F. en [vennoot] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in strijd met artikel 8:69 van de Awb.
5.3.    Uit de bestuurlijke rapportage komt naar voren dat de politie twee MMA-meldingen heeft ontvangen over drugshandel vanuit de horeca-inrichting. In de bestuurlijke rapportage staat dat één van de MMA-meldingen als volgt luidt: "Er wordt drugs verhandeld vanuit het adres [locatie 2] Sittard. Er is veel aanloop van kopers die even naar binnen gaan en dan weer verdwijnen. Het betreft een broodjeszaak." De burgemeester heeft toegelicht dat in deze melding abusievelijk [locatie 2] is vermeld terwijl [locatie 1] was bedoeld. Uit de omstandigheid dat in de MMA-melding staat dat het een broodjeszaak betreft, kan worden afgeleid dat de MMA-melding ‘Bonita’s lunchroom’ betreft. Gelet hierop gaat de Afdeling ervan uit dat in dit geval sprake is van een kennelijke verschrijving. De MMA-meldingen dat er drugshandel plaatsvond is bevestigd door het feit dat tijdens het politieonderzoek ook daadwerkelijk drugs is gevonden in de horeca-inrichting. Wat de V.O.F. en [vennoot] daarom verder over de MMA-meldingen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze meldingen niet betrouwbaar zijn of dat de burgemeester niet van die meldingen mocht uitgaan.
5.4.    Het betoog slaagt niet.
Evenredigheid: noodzaak en evenwichtigheid
6.       De V.O.F. en [vennoot] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de horeca-inrichting noodzakelijk was. Hiertoe voert hij aan dat zich in de periode tussen de doorzoeking en de sluiting van de horeca-inrichting geen drugs-gerelateerde incidenten hebben voorgedaan. Ook wordt [vennoot] niet strafrechtelijk vervolgd wegens het bezit van drugs of drugshandel. Ook betogen de V.O.F. en [vennoot] dat de rechtbank heeft miskend dat de sluiting van de horeca-inrichting voor twaalf maanden niet evenwichtig is. Hiertoe voert hij aan dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Verder konden de V.O.F. en [vennoot] de onderneming door de sluiting van de horeca-inrichting niet voortzetten voor een jaar. Dit heeft gezorgd voor een financieel verlies. Daar bovenop heeft de burgemeester zijn horeca-exploitatievergunning ingetrokken. Daardoor is zijn onderneming in feite permanent stilgelegd. De burgemeester heeft onvoldoende rekening gehouden met deze omstandigheden, aldus [vennoot].
7.       Wat de V.O.F. en [vennoot] hebben aangevoerd geeft de Afdeling geen aanleiding tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank, zoals hiervoor weergegeven. Daar voegt zij nog aan toe dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat de sluiting van twaalf maanden evenwichtig is. De burgemeester heeft in het bijzonder mogen betrekken dat [lunchroom] een openbaar toegankelijke horeca-inrichting in een woonwijk is. Ook ligt de horeca-inrichting in een voor drugscriminaliteit kwetsbare stad; het ligt in de grensstreek waar veel drugsoverlast bestaat. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de sluiting van de horeca-inrichting voor twaalf maanden niet onevenwichtig is.
7.1.    Het betoog slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
8.       De V.O.F. en [vennoot] betogen dat de redelijke termijn is overschreden en verzoeken om schadevergoeding.
9.       Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Hiervan mag de lengte van de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren.
9.1.    De Afdeling beoordeelt de vraag of de redelijke termijn is overschreden naar de stand van de zaak op het moment van haar uitspraak. Daarbij wordt de duur van de totale procedure in ogenschouw genomen. Voor het toekennen van een aanvullende schadevergoeding bestaat aanleiding als het bedrag dat de rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend lager is dan het door de Afdeling vast te stellen bedrag waarop de V.O.F. en [vennoot] om schadevergoeding recht hebben.
9.2.    De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat was in dit geval op 16 april 2020. De procedure is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van vandaag. Dit betekent dat de redelijke termijn van vier jaar met een jaar en negen maanden, oftewel 21 maanden, is overschreden. De rechtbank heeft in overweging 27. van haar uitspraak geoordeeld dat de behandeling van het beroep afgerond tien maanden te lang heeft geduurd. Dat betekent dat de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling elf maanden te lang heeft geduurd.
9.3.    De V.O.F. en [vennoot] hebben ieder afzonderlijk recht op schadevergoeding ten bedrage van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Zij komen daarom ieder voor zich in aanmerking voor een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,00. De Afdeling ziet evenwel in de omstandigheid dat zij in bezwaar, beroep en hoger beroep gezamenlijk hebben geprocedeerd, aanleiding dit bedrag te matigen, in die zin dat zij ieder voor zich 1/3 deel van dit bedrag krijgen toegekend. Omdat de rechtbank de V.O.F. en [vennoot] al € 1.000,00 heeft toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn in beroep, zal de Afdeling de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 333,33 als aanvullende vergoeding voor door de V.O.F en [vennoot] afzonderlijk geleden immateriële schade (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
Slotsom
10.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
11.     De Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten vanwege de behandeling van het gezamenlijk ingediende verzoek om schadevergoeding. De Afdeling rekent daarvoor 1 punt met een wegingsfactor van 0,5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [vennootschap] en [vennoot A] en [vennoot B] ieder afzonderlijk een schadevergoeding van € 333,33;
III.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [vennootschap], [vennoot A] en [vennoot B] in verband met de behandeling van het gezamenlijke verzoek tot schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
85-990