Betrokkene, een Turkse staatsburger met een aangeboren handicap die 24 uur per dag zorg nodig heeft, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan als familielid van zijn vader (referent) die in Nederland woont. De minister wees de aanvraag af omdat er volgens haar geen beschermingswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRMPro bestond. De rechtbank vernietigde deze afwijzing wegens onvoldoende motivering over de afhankelijkheid en belangenafweging.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de rechtbank onjuiste feiten heeft aangenomen, zoals dat de moeder van betrokkene de zorg niet meer kan verlenen en dat de referent meerdere keren per jaar langere periodes in Turkije verblijft. De minister heeft terecht betwist dat de zorg door de moeder niet kan worden voortgezet en dat de referent slechts korte bezoeken brengt. De Afdeling oordeelt dat de minister het ontbreken van exclusieve afhankelijkheid mag meewegen, mits dit niet doorslaggevend is.
Verder is de vertrouwensband tussen betrokkene en referent wel erkend, maar leidt deze niet tot bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank heeft ten onrechte de bewijslast omgedraaid over de beschikbaarheid van adequate zorg in Turkije. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond, maar verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2023 ongegrond. Het besluit van 5 november 2025 wordt eveneens vernietigd omdat de grondslag is komen te vervallen.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, uitspraak rechtbank vernietigd, beroep tegen besluit 26 april 2023 ongegrond, besluit 5 november 2025 vernietigd.
Uitspraak
202307754/1/V2.
Datum uitspraak: 12 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 november 2023 in zaak nr. NL23.13368 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 26 april 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Orhan, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 5 november 2025 heeft de minister het tegen het besluit van 18 augustus 2022 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren in 1991 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij verblijft in Turkije met zijn moeder. Betrokkene heeft een aangeboren lichamelijke en verstandelijke handicap, waardoor hij 24 uur per dag zorg nodig heeft. Zijn vader (referent) verblijft sinds een aantal jaar in Nederland met zijn partner. De eerste 28 jaar van zijn leven is betrokkene mede door referent verzorgd. Na het vertrek van referent heeft de moeder van betrokkene, met ondersteuning van derden, de volledige dagelijkse zorg voor hem op zich genomen.
1.1. Referent heeft een mvv aangevraagd voor betrokkene met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat er volgens haar tussen betrokkene en referent geen beschermingswaardig familie- en gezinsleven is in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM en de belangenafweging in dat kader volgens haar in het nadeel van betrokkene uitvalt. Deze uitspraak gaat over het oordeel van de rechtbank dat de minister deze standpunten niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen betrokkene en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De rechtbank is ervan uitgegaan dat niet in geschil is dat betrokkene 24 uur per dag zorg nodig heeft, dat referent die zorg 28 jaar lang samen met de moeder van betrokkene heeft verleend, dat referent sinds zijn vertrek naar Nederland regelmatig voor langere tijd terugkeert naar Turkije om betrokkene te verzorgen en dat de moeder van betrokkene vanwege gezondheidsproblemen niet langer in staat is om de zorg voor hem voort te zetten. De rechtbank heeft overwogen dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met deze omstandigheden en dat zij zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat betrokkene exclusief afhankelijk is van referent. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister geen exclusieve afhankelijkheid mag verlangen en niet heeft onderkend dat referent een belangrijke rol in de verzorging is blijven spelen na zijn vertrek. Ook heeft de minister volgens de rechtbank onvoldoende aandacht besteed aan de betekenis van de vertrouwensband tussen referent en betrokkene. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de minister zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kan stellen dat de zorg kan worden verleend door de moeder van betrokkene met behulp van ingehuurd personeel of door plaatsing in een zorginstelling, omdat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met het standpunt van betrokkene dat in Turkije geen adequate professionele zorgverlening beschikbaar is en dat de ziekte van betrokkene zeer zeldzaam is.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM in het nadeel van betrokkene uitvalt. Bij dat oordeel heeft de rechtbank ook van belang geacht dat de minister niet heeft onderzocht of, en zo ja, in welke mate het voor referent onredelijk bezwarend is om naar Turkije te verhuizen, en dat de minister volgens haar ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het economisch belang in het nadeel van betrokkene weegt.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
3. In de eerste grief komt de minister op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er tussen betrokkene en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn.
Onjuiste vaststelling van de feiten
3.1. De minister betoogt terecht dat de rechtbank bij haar oordeel is uitgegaan van een onjuiste feitenvaststelling, omdat zij heeft overwogen dat niet in geschil is dat de moeder van betrokkene de zorg niet meer kan verlenen en dat referent meerdere keren per jaar voor langere periodes in Turkije verblijft om voor betrokkene te zorgen. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de minister dit heeft betwist. Uit het besluit op bezwaar en de toelichting op de zitting bij de rechtbank blijkt dat de minister het standpunt heeft ingenomen dat niet is gebleken dat de moeder de zorg voor betrokkene, eventueel met hulp van derden, niet kan voortzetten. Daarnaast betoogt de minister terecht dat hij op de zitting bij de rechtbank heeft gewezen op de eigen verklaring van referent dat hij eens per twee à drie maanden voor enkele dagen naar Turkije reist en dat dit geen langere periodes zijn.
3.2. Gelet op het voorgaande betoogt de minister terecht dat de rechtbank bij haar oordeel dat zij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er tussen betrokkene en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, er ten onrechte van uit is gegaan dat niet in geschil is dat de moeder van betrokkene de zorg niet meer aankan en dat referent meerdere keren per jaar voor langere periodes in Turkije voor betrokkene zorgt.
De rol van referent en de zorg door de moeder
3.3. De minister heeft ook terecht betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen exclusieve afhankelijkheid tussen referent en betrokkene mag verlangen, dat zij heeft miskend dat referent een belangrijke rol is blijven spelen in de verzorging van betrokkene en dat zij onvoldoende aandacht heeft besteed aan de vraag wat de vertrouwensband tussen referent en betrokkene betekent voor het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
3.4. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, mag de minister het ontbreken van exclusieve afhankelijkheid bij haar beoordeling betrekken, mits zij daaraan geen doorslaggevend gewicht toekent. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, onder 3.2. Uit het besluit van 26 april 2023 blijkt dat de minister deze omstandigheid slechts als een van de relevante factoren in haar afweging heeft betrokken en daar geen doorslaggevend gewicht aan heeft toegekend.
3.5. Daarnaast heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat referent, gelet op diens eigen verklaring dat hij eens per twee à drie maanden voor enkele dagen naar Turkije reist, slechts in beperkte mate feitelijk betrokken is bij de dagelijkse verzorging van betrokkene. De minister heeft terecht geconcludeerd dat de dagelijkse zorg daarmee grotendeels door de moeder en derden wordt gedragen en dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet valt in te zien waarom zij had moeten uitgaan van een belangrijke rol van referent in de verzorging van betrokkene na zijn vertrek. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het besluit op deze punten gebrekkig is gemotiveerd.
3.6. De minister heeft verder terecht betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de vertrouwensband tussen betrokkene en referent onvoldoende in haar beoordeling heeft betrokken. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 3, gaat het bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet alleen om de vraag of de relatie in emotioneel opzicht uitstijgt boven dat wat tussen volwassen familieleden gebruikelijk is, maar gaat het er vooral om of er objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden zijn op basis waarvan afhankelijkheid die uitstijgt boven het gebruikelijke, tussen de betrokken volwassen familieleden kan worden vastgesteld. De minister heeft in het besluit van 26 april 2023 onderkend dat er sprake is van een emotionele band tussen betrokkene en referent, maar heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat deze band, bezien in samenhang met de overige omstandigheden, niet leidt tot de vaststelling dat tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De rechtbank heeft daarom achteraf bezien ten onrechte overwogen dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat de minister de vertrouwensband onvoldoende in haar beoordeling heeft betrokken.
3.7. Ook het betoog van de minister dat de rechtbank de bewijslast heeft omgedraaid met betrekking tot de vraag of er adequate zorg beschikbaar is in Turkije, slaagt. Volgens de rechtbank heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de moeder van betrokkene de benodigde zorg met behulp van ingehuurd personeel kan geven. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de toelichting die referent op de zitting heeft gegeven over twee incidenten die zich hebben voorgedaan met ingehuurde zorgverleners. Naar het oordeel van de Afdeling is deze toelichting van referent, hoe vervelend deze incidenten ook waren, op zichzelf onvoldoende om twijfel te zaaien over de motivering van de minister dat er in Turkije adequate professionele zorg beschikbaar is. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij de minister heeft gelegd, terwijl het aan betrokkenen is om hun stelling dat de zorg in Turkije in het algemeen ontoereikend is, zoveel mogelijk te motiveren. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek.
3.8. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister in het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen betrokkene en referent. De eerste grief slaagt.
De belangenafweging
4. De minister heeft zich in deze zaak deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er tussen betrokkene en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. In die beoordeling heeft zij alle individuele feiten en omstandigheden van betrokkene en referent betrokken. De minister mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen betrokkene en referent bestaat. Dat betekent dat zij in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. Vergelijk de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5 tot en met 5.4. De vraag of de belangenafweging deugdelijk heeft plaatsgevonden en wat de minister daarover in haar tweede grief aanvoert, behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie hoger beroep
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep tegen het besluit van 26 april 2023
6. Betrokkene doet een beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14321, omdat in die zaak de rechtbank in een vergelijkbaar geval het beroep gegrond had verklaard. Deze beroepsgrond kan echter niet slagen, omdat de Afdeling in de uitspraak van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:267, die rechtbankuitspraak heeft vernietigd.
7. Het beroep is ongegrond.
Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 5 november 2025
8. Het besluit van 5 november 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 vanPro de Awb, in de beoordeling betrokken. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat aan dit besluit, dat ter uitvoering van de vernietigde uitspraak van de rechtbank is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.
Proceskosten
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 november 2023 in zaak nr. NL23.13368;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2023, V-291.518.0639 ongegrond;
IV. vernietigt het besluit van 5 november 2025, V-291.518.0639.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.