202407601/1/A2.
Datum uitspraak: 7 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend op Bonaire,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2024 in zaak nr. 24/1431 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW).
Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2023 heeft de RDW de tenaamstelling van twee kentekens van [appellante] vervallen verklaard.
Bij besluit van 31 januari 2024 heeft de RDW het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De RDW heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.C.H. Pronk, advocaat in Apeldoorn, vergezeld door [persoon], en de RDW, vertegenwoordigd door mr. J. Choufoer-van der Wel, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont op Bonaire. Op haar naam staan twee voertuigen geregistreerd in Nederland. Omdat zij niet staat ingeschreven op een Nederlands adres, heeft de RDW de tenaamstelling vervallen verklaard. [appellante] is het hier niet mee eens, omdat Bonaire onderdeel is van Nederland.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de RDW terecht de tenaamstelling van de twee voertuigen van [appellante] vervallen heeft verklaard, omdat zij niet in Nederland woont. De rechtbank heeft relevant geacht dat de wetgever als uitgangspunt nam dat het voertuig moet worden geregistreerd in het land waar de eigenaar of houder woont, omwille van de controle en handhaving en de opsporing en vervolging van op het kenteken geconstateerde overtredingen of strafbare feiten. Hieruit volgt dat het woonplaatsvereiste is bedoeld om de afstand tot het voertuig te beperken. De staatkundige positie van de woonplaats van de eigenaar is daarbij niet relevant, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de RDW hiermee niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep en oordeel Afdeling
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de RDW op goede gronden de tenaamstelling van haar voertuigen vervallen heeft verklaard, omdat zij niet langer in Nederland woont. Zij woont namelijk in het Caribische deel van Nederland. In artikel 48 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) wordt geen onderscheid gemaakt tussen het Europese en het Caribische deel van Nederland. Gelet op de wettekst is zij dus inwoner van Nederland en mag zij de voertuigen op haar naam hebben staan.
4.1. In artikel 4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Invoeringswet BES) is bepaald dat indien in een wettelijk voorschrift dat niet ingevolge artikel 2, eerste of tweede lid, van de Invoeringswet BES van toepassing is in de openbare lichamen onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk, onder ‘Nederland’ wordt verstaan het Europese deel van Nederland en de openbare lichamen worden gelijkgesteld met andere landen van het Koninkrijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
4.2. De Wvw 1994 is niet op grond van artikel 2, eerste of tweede lid, van de Invoeringswet BES van toepassing in de openbare lichamen. Ook bevat de Wvw 1994 geen bepaling op basis waarvan de openbare lichamen tot het Europese deel van Nederland moeten worden gerekend. Daarom moet artikel 48, eerste lid, van de Wvw 1994 zo worden uitgelegd dat met ‘Nederland’ slechts het Europese deel van Nederland wordt bedoeld, vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1378. Dat betekent dat de RDW de tenaamstelling van de twee kentekens van [appellante] terecht vervallen heeft verklaard, omdat zij niet langer in Nederland woont. De rechtbank is terecht, zij het op onjuiste gronden, tot dit oordeel gekomen. 4.3. Het betoog slaagt niet.
5. Daarnaast betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de RDW niet het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Zij wordt namelijk als Nederlandse wonend in het Caribische deel van Nederland ongelijk behandeld met Nederlanders wonend in het Europese deel van Nederland. Een uitdrukkelijke wettelijke bepaling die deze ongelijke behandeling toestaat ontbreekt.
5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de RDW niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Niet alle wetten die in het Europese deel van Nederland gelden, zijn namelijk ook van toepassing in Caribisch Nederland. Dat is, anders dan [appellante] betoogt, een bewuste keuze van de wetgever. Dat is ook het geval met de Wvw 1994. Dat de wetgever die keuze zo niet had mogen maken, is niet aangevoerd. Dat betekent dat een inwoner van het Caribische deel van Nederland voor toepassing van deze wet geen gelijk geval is met iemand die in het Europese deel van Nederland woont.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
7. De RDW hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026
853-1067
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 2
1. In de openbare lichamen zijn de doorlopende teksten van de in de bijlage bij deze wet genoemde Nederlands-Antilliaanse regelingen, zoals deze bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 oktober 2010 zijn vastgesteld en ter inzage zijn gelegd bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling van toepassing overeenkomstig de status die de bijlage vermeldt. De regelingen worden in hun aldus verkregen status aangehaald op de wijze die de bijlage vermeldt.
2. Andere wettelijke regelingen dan die, bedoeld in het eerste lid, zijn in de openbare lichamen alleen van toepassing voor zover:
a. dit bij wettelijk voorschrift is bepaald;
b. op andere wijze onmiskenbaar uit enig wettelijk voorschrift volgt dat die wettelijke voorschriften in de openbare lichamen van toepassing zijn.
[…]
Artikel 4
Indien in een wettelijk voorschrift dat niet ingevolge artikel 2, eerste of tweede lid, van toepassing is in de openbare lichamen, onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk, wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, onder «Nederland» verstaan het Europese deel van Nederland en worden de openbare lichamen gelijkgesteld met andere landen van het Koninkrijk.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 48
1. Inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling vinden, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van de daarvoor door deze dienst vastgestelde tarieven, plaats op aanvraag van:
a. in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt […].
Artikel 51a
1. Een tenaamstelling in het kentekenregister vervalt overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.
[…]
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, kan een tenaamstelling vervallen worden verklaard:
[…]
f. in andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.
[…].
Kentekenreglement
Artikel 40b
[…]
4. De Dienst Wegverkeer kan een tenaamstelling vervallen verklaren indien naar oordeel van deze dienst blijkt dat:
[…]
d. degene die als tenaamgestelde in het kentekenregister is ingeschreven niet langer in Nederland woonachtig of gevestigd is.
[…].