Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel over de gedeeltelijke weigering van de korpschef van politie om inzage te verlenen op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). De korpschef stelde dat openbaarmaking de gerechtelijke onderzoeken en procedures zou belemmeren en nadelige gevolgen zou hebben voor de opsporing en vervolging.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen dat het belang van gelijke informatievoorziening tegenover het belang van bescherming van het algemeen belang en derden moet worden afgewogen. De nadere motivering van de weigering bevat informatie die het geschilpunt vormt en openbaarmaking zou de bodemprocedure zinledig maken.
Daarom is het verzoek van de korpschef tot beperkte kennisneming van de nadere motivering gerechtvaardigd en toegewezen. De Afdeling heeft het verzoek van appellante afgewezen voor inzage in dat stuk, waarmee de procedure zorgvuldig en met bescherming van gerechtelijke belangen wordt voortgezet.
Uitkomst: Verzoek tot beperkte kennisneming van de nadere motivering van de weigering inzage op grond van de Wpg is toegewezen.
Uitspraak
202502419/2/A3.
Datum beslissing: 5 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 maart 2025 in zaak nr. 23/1469 in het geding tussen:
[appellante]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 maart 2025 in zaak nr. 23/1469. Die uitspraak gaat over de gedeeltelijke weigering door de korpschef van het verzoek van [appellante] om inzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Volgens de korpschef zou openbaarmaking de gerechtelijke onderzoeken en procedures belemmeren en nadelige gevolgen hebben voor de voorkoming, opsporing, onderzoek, vervolging en tenuitvoerlegging van straffen.
De korpschef heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het betreft, naast het stuk waarin inzage is geweigerd, de nadere motivering van de afwijzing van dat verzoek.
Overwegingen
1. Voor wat betreft het stuk waarin de korpschef inzage heeft geweigerd wordt geen beslissing op het verzoek genomen. Ten aanzien van dit stuk wordt gehandeld alsof de Afdeling het verzoek gerechtvaardigd heeft geacht (Vergelijk de uitspraak van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 15).
2. De korpschef heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling kennis zal nemen van de nadere motivering waarom hij inzage heeft geweigerd op grond van artikel 27 vanPro de Wpg. Volgens de korpschef staat in deze procedure de vraag centraal of [appellante] kennis mag nemen van informatie over haar. Inzage in de nadere motivering zou ertoe leiden dat de onderhavige procedure zinledig wordt, aldus de korpschef.
3. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. De Afdeling heeft kennisgenomen van de door de korpschef overgelegde nadere motivering van het besluit om geen inzage te verlenen. Zij stelt vast dat dit stuk informatie bevat over de redenen waarom de korpschef het verzoek om inzage heeft afgewezen en waarom alleen de rechter mag kennisnemen van deze informatie. Deze informatie is in dit geval onderwerp van het geschil tussen [appellante] en de korpschef. In de bodemprocedure staat namelijk de vraag centraal of [appellante] kennis mag nemen van informatie over de vraag of en welke gegevens de politie over haar heeft verwerkt. Als de informatie in de nadere motivering zou worden verstrekt aan [appellante] zou daarmee het oordeel in de bodemprocedure er niet meer toe doen. Om die reden weegt het belang bij beperking van de kennisneming in dit geval zwaarder dan het belang dat [appellante] kennis kan nemen van de nadere motivering van het besluit (vergelijk de uitspraak van 25 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2818).
5. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.