ECLI:NL:RVS:2026:627

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202500432/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing tegemoetkoming in planschade na intrekking bouwvergunning en bestemmingsplanwijzigingen

Appellant is sinds 2007 eigenaar van een perceel in Baarle-Nassau en verzocht in 2021 om tegemoetkoming in planschade vanwege het intrekkingsbesluit van 2013 en diverse bestemmingsplanwijzigingen die volgens hem tot waardevermindering en inkomensderving hebben geleid.

Het college wees de aanvraag af op advies van een deskundige, die concludeerde dat het oude en nieuwe planologische regime vergelijkbare bouw- en gebruiksmogelijkheden boden en dat de aanvraag deels niet-ontvankelijk was wegens verjaring. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder dat de uitgebreide bouwmogelijkheden op het nabijgelegen perceel van Albert Heijn tot indirecte planschade leidden. De Afdeling oordeelde dat de aanvraag voor zover deze ziet op het bestemmingsplan 'Dorpen' niet-ontvankelijk is vanwege verjaring en dat er geen aanleiding is om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming in planschade wordt bevestigd.

Uitspraak

202500432/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend in Baarle-Nassau,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 12 december 2024 in zaak nr. 23/12148 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het college een aanvraag van [appellant] om tegemoetkoming in planschade afgewezen.
Bij besluit van 10 november 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 januari 2026, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door mr. L.C.J. Nouws-Vermeeren, vergezeld door mr. E.H. Jonker-Heffener, deskundige, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] is sinds 18 april 2007 eigenaar van het perceel met bebouwing aan de [locatie A] in Baarle-Nassau (hierna: het perceel).
Achtergrond van het geschil
2.       Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het college aan [appellant] een vrijstelling verleend voor het bouwen van een winkelruimte met vier appartementen op het perceel (hierna: het bouwplan) in afwijking van het destijds geldende bestemmingsplan "Dorpsgebieden". Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft het college aan [appellant] een bouwvergunning verleend voor dit bouwplan. Naar aanleiding van de daartegen door derden gemaakte bezwaren heeft het college, bij besluit van 20 februari 2013, de vrijstelling en de bouwvergunning herroepen en alsnog geweigerd. In een uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4449, is het hoger beroep van [appellant] over dit intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.
3.       Bij besluit van 11 april 2012 heeft de raad van de gemeente Baarle-Nassau het bestemmingsplan "Dorpen" vastgesteld. Met de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1268, is dat bestemmingsplan (deels) onherroepelijk geworden.
4.       Bij besluit van 24 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpen 1e (correctieve) herziening" vastgesteld. Dat bestemmingsplan voorzag in de verplaatsing van het bouwvlak op het perceel van eisers naar de voorkant van het perceel, terwijl de bestaande bebouwing zich aan de achterkant bevindt. Bij uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:710, heeft de Afdeling het besluit van 24 februari 2016 vernietigd wat betreft het bouwvlak voor het perceel en voor zover de bestaande bebouwing op dit perceel daarin niet als zodanig was bestemd. Als gevolg van die uitspraak heeft de raad op 24 juni 2017 het bestemmingsplan "Dorpen, 2e correctieve herziening" vastgesteld. Dat bestemmingsplan is na de uitspraak van de Afdeling op 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2236, onherroepelijk geworden. Het bestemmingsplan "Dorpen, 2e correctieve herziening" voorziet in de verplaatsing van het bouwvlak op het perceel op zodanige wijze dat deze overeenkomt met de bestaande bebouwing aan de achterkant van het perceel.
Aanvraag om tegemoetkoming in planschade
5.       [appellant] heeft het college op 18 februari 2021 verzocht om tegemoetkoming in planschade. Volgens [appellant] is hij in een nadeliger positie komen te verkeren als gevolg van het intrekkingsbesluit van 20 februari 2013, het bestemmingsplan "Dorpen", het bestemmingsplan "Dorpen 1e (correctieve) herziening" en het bestemmingsplan "Dorpen, 2e correctieve herziening" en lijdt hij ten gevolge daarvan schade in de vorm van waardevermindering van het perceel en inkomensderving. Ook is hij in een nadeliger positie komen te verkeren door de uitgebreide (bouw)mogelijkheden op het nabij gelegen perceel van de Albert Heijn.
Advisering en besluitvorming
6.       Het college heeft aanvankelijk Tog Nederland Zuid B.V. ingeschakeld om te adviseren over de aanvraag om tegemoetkoming in planschade. Omdat de bij de zaak betrokken adviseur, mr. E.H. Jonker, is gaan werken bij Thorbecke B.V. (hierna: Thorbecke), is de opdracht nadien aan Thorbecke verstrekt.
6.1.    In het advies van 22 juni 2023 heeft Thorbecke geconstateerd dat het oude planologische regime wordt gevormd door het op 18 oktober 2001 vastgestelde bestemmingsplan "Dorpsgebieden". Het bestemmingsplan "Dorpen, 2e correctieve herziening" vormt, in samenhang bezien met het bestemmingsplan "Dorpen 1e (correctieve) herziening", het nieuwe planologische regime.
Het bestemmingsplan "Dorpen" is op 13 februari 2013 onherroepelijk geworden. De vijfjaarstermijn, als bedoeld in artikel 6.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), is op het moment van de aanvraag al verstreken. Dat betekent dat de aanvraag toeziend op dat bestemmingsplan niet-ontvankelijk is. Ook het besluit van 20 februari 2013 kan niet worden meegenomen in de planschadeprocedure. Dat besluit is geen oorzaak van planschade als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro.
Omdat het nieuwe planologische regime geen ontwikkelingen bevat in de nabije omgeving van het perceel, staat deze schadefactor niet ter beoordeling.
De bouw- en gebruiksmogelijkheden van het perceel zelf zijn onder het nieuwe planologische regime vergelijkbaar met de bouw- en gebruiksmogelijkheden onder het oude planologische regime. Beide regimes bieden geen ruimte voor de bouw van woningen op het perceel. In beide regimes mag uitsluitend binnen een bouwvlak (hoofd)bebouwing worden gebouwd, zodat enkel aan de oostzijde van het perceel hoofdgebouwen zijn toegestaan. Dat betekent dat er geen planologisch nadeel is dat tot waardevermindering van het perceel of tot inkomensderving van [appellant] leidt.
Thorbecke heeft het college geadviseerd de aanvraag om tegemoetkoming in planschade af te wijzen.
7.       Het college heeft het advies van Thorbecke aan de besluitvorming ten grondslag gelegd.
Uitspraak van de rechtbank
8.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank heeft daaraan samengevat het volgende ten grondslag gelegd.
8.1.    Anders dan [appellant] stelt, maken de vrijstelling en de bouwvergunning geen deel uit van het oude planologische regime. Deze zijn ingetrokken en het intrekkingsbesluit is onherroepelijk. Thorbecke heeft het bestemmingsplan "Dorpsgebieden" terecht vergeleken met het bestemmingsplan "Dorpen, 2e correctieve herziening".
8.2.    Voor zover [appellant] stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de inwerkingtreding (van het onherroepelijke deel) van het bestemmingsplan "Dorpen", is de aanvraag verjaard en dus niet-ontvankelijk.
8.3.    Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van Thorbecke. Anders dan [appellant] stelt kan uit het feit dat de taxateur na de hoorzitting is meegegaan naar het perceel niet worden afgeleid dat sprake is van planologisch nadeel. De planologische vergelijking moest op dat moment immers nog plaatsvinden. Ook het betoog van [appellant] over het ontbreken van een taxatie en berekeningen van inkomens- en vermogensschade en een onderzoek naar de voorzienbaarheid en het maatschappelijk risico slaagt niet. Thorbecke is hier niet aan toe  gekomen, omdat de conclusie luidt dat geen sprake is van planologisch nadeel. De door [appellant] aangeleverde stukken en reactie op het verslag zijn gevoegd bij het definitieve advies dat aan het besluit van het college ten grondslag ligt. Dat adviseur Jonker niet onafhankelijk zou zijn is niet aannemelijk gemaakt. Het college mocht het advies van Thorbecke aan de besluitvorming ten grondslag leggen. Verder kan uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet worden afgeleid dat de bezwaarschriftencommissie niet onafhankelijk is, zijn de termijnen uit de Procedureverordening planschade 2008 termijnen van orde zodat overschrijding daarvan geen rechtsgevolg heeft en is de beslissing op bezwaar binnen de geldende termijn van 12 weken genomen.
Hoger beroep en de beoordeling daarvan
9.       De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
10.     De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de ingetrokken vrijstelling, de herroepen bouwvergunning, het intrekkingsbesluit en de door [appellant] geschetste ontwikkelingen (waaronder de motie van de gemeenteraad, het mediationtraject en de door [appellant] gestelde beloftes) geen rol spelen in de boordeling van de aanvraag om tegemoetkoming in planschade. Bij de beoordeling van de aanvraag kan enkel het oude planologische regime worden vergeleken met het nieuwe planologische regime om te bezien of dat nieuwe regime leidt tot een nadeliger positie die schade tot gevolg heeft.
11.     De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder rechtsoverweging 18 en verder opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
12.     Over het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat hij in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren door de uitgebreide (bouw)mogelijkheden op het nabij gelegen perceel van de Albert Heijn, overweegt de Afdeling het volgende.
12.1.  Bij de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in indirecte planschade wordt uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van de gronden van derden (uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 13).
12.2.  Bij de beoordeling van de aanvraag, voor zover die ziet op indirecte planschade, moet niet, zoals [appellant] stelt, worden uitgegaan van de planologische mogelijkheden van het eigen perceel, maar van de planologische mogelijkheden van het perceel van de Albert Heijn. Niet in geschil is dat de bouwmogelijkheden op het perceel van de Albert Heijn zijn uitgebreid door het bestemmingsplan "Dorpen". Evenmin is in geschil dat het deze uitbreiding is die tot de door [appellant] gestelde nadelige gevolgen heeft geleid. Het bestemmingsplan "Dorpen" is voor het perceel van de Albert Heijn op 13 februari 2013 onherroepelijk geworden. Anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd is niet het moment bepalend waarop dit bestemmingsplan voor hun eigen perceel onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 6.1, vierde lid, van de Wro, op het moment van de aanvraag al bijna drie jaar was verstreken. Thorbecke heeft om deze reden vastgesteld dat het nieuwe planologische regime geen ontwikkelingen bevat in de nabije omgeving van het perceel en is dus niet toegekomen aan de beoordeling van indirecte planschade. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de aanvraag, voor zover de aanvraag ziet op het bestemmingsplan Dorpen, niet-ontvankelijk is. Aan een beoordeling van indirecte planschade is terecht niet toegekomen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
14.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
1033