ECLI:NL:RVS:2026:605

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202400523/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vergunning voor bepaalde tijd voor ligplaats bedrijfsvaartuig wegens schaarste

PK Waterbouw kocht een bedrijfsvaartuig met een ligplaatsvergunning voor onbepaalde tijd en vroeg een nieuwe vergunning aan. Het college verleende een vergunning voor drie jaar vanwege schaarste aan ligplaatsen. De rechtbank oordeelde dat dit niet in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en dat het beleid redelijk was.

PK Waterbouw stelde in hoger beroep dat er geen passend beleid was voor stilliggende bedrijfsvaartuigen en dat de termijn van drie jaar onredelijk was. Ook betoogde zij dat de schaarste onvoldoende was onderbouwd. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de schaarste een gewijzigde omstandigheid vormt waardoor het college mag afwijken van de hoofdregel van vergunningverlening voor onbepaalde tijd.

De Afdeling vond het onderscheid tussen bedrijfsvaartuigen en rondvaartboten niet relevant en oordeelde dat de termijn van drie jaar redelijk is, mede omdat PK Waterbouw geen bewijs leverde dat investeringen niet binnen die termijn terugverdiend konden worden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van PK Waterbouw wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor drie jaar wordt bevestigd.

Uitspraak

202400523/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
PK Waterbouw B.V., gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2023 in zaak nr. 22/2374 in het geding tussen:
PK Waterbouw
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2022 heeft het college aan PK Waterbouw een ligplaatsvergunning verleend voor drie jaar voor het bedrijfsvaartuig [naam].
Bij besluit van 30 maart 2022 heeft het college het door PK Waterbouw daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 december 2023 heeft de rechtbank het door PK Waterbouw daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft PK Waterbouw hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 november 2025, waar PK Waterbouw, vertegenwoordigd door mr. J. Monster, rechtsbijstandsverlener in Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       PK Waterbouw heeft het bedrijfsvaartuig [naam vaartuig], dat sinds 1990 een ligplaatsvergunning had voor onbepaalde tijd, gekocht en op 16 december 2021 een aanvraag ingediend voor een ligplaatsvergunning ter hoogte van [locatie] te Amsterdam. Het college heeft bij het besluit van 28 januari 2022 een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van drie jaar. Volgens het college is de vergunning een schaars recht en kan daarom geen vergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Het college heeft de vergunningverlening voor bepaalde tijd bij het besluit op bezwaar van 30 maart 2022 gehandhaafd.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel door een vergunning voor bepaalde tijd te verlenen. Het besluit is gebaseerd op beleid, namelijk de Uitvoeringsnota van het bedrijfsvoertuigenbeleid in de binnenstad, en dat beleid is volgens de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3081. Verder heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de ligplaatsvergunning voor een stilliggend bedrijfsvaartuig een schaarse vergunning is, omdat voor ligplaatsvergunningen een plafond bestaat. De rechtbank vindt steun in de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2892. De duur van drie jaar is volgens de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank heeft ten slotte nog geoordeeld dat de regelgeving over omgevingsvergunningen niet in de weg staat aan de verdeling van schaarse ligplaatsvergunningen.
Hoger beroep
3.       PK Waterbouw betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens PK Waterbouw is er alleen beleid over ligplaatsvergunningen voor rondvaartboten en niet voor stilliggende bedrijfsvaartuigen. Ook de vergunningenstop uit het besluit Instelling beëindiging vergunningverlening bedrijfsvaartuigen binnenstad en havenatlasgebied van 20 december 1996 (hierna: Instellingsbesluit) staat niet in de weg aan vergunningverlening voor onbepaalde tijd. Er wordt volgens PK Waterbouw ten onrechte aansluiting gezocht bij de problematiek van de rondvaartboten.
3.1.    PK Waterbouw betoogt verder dat de rechtbank niet voldoende heeft gemotiveerd dat een termijn van drie jaar voor de vergunning niet onredelijk is. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat het college nieuw beleid aan het maken is, maar dat nieuwe beleid is er nog niet. Met de termijn van drie jaar heeft PK Waterbouw geen ontwikkelingsperspectief.
3.2.    PK Waterbouw betoogt ten slotte dat de schaarste van de ligplaatsvergunning onvoldoende is onderbouwd. Er is een omgevingsvergunning nodig om een ligplaatsvergunning te kunnen aanvragen. De vergunning is volgens PK Waterbouw dan ook alleen schaars als er meer aanvragers zijn dan ligplaatsen beschikbaar zijn. PK Waterbouw stelt dat het belang van de verlening van de vergunning zwaarder moet wegen in het geval er geen beleid is en daarom een vergunning voor onbepaalde tijd moet worden verleend.
Beoordeling
4.       PK Waterbouw heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht te willen erkennen dat er in de binnenstad van Amsterdam sprake is van schaarste aan vaste ligplaatsen, ook voor bedrijfsvaartuigen. PK Waterbouw stelt echter dat er geen goed beleid is hoe moet worden omgegaan met deze schaarste en dat de verlening van de ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd op de manier zoals het college heeft gedaan onjuist is. Dat heeft er voornamelijk mee te maken dat de vergunningverlening volgens PK Waterbouw in strijd is met de rechtszekerheid.
4.1.    In de Uitvoeringsnota is opgenomen dat vergunningen in principe aan de opvolgende eigenaar worden verleend, net zoals dat geldt voor woonboten. Het college werkt dan ook mee aan het verlenen van een ligplaatsvergunning aan een nieuwe eigenaar. Vergunningen worden volgens de Uitvoeringsnota voor onbepaalde tijd verleend om de bedrijfsvoering van de ondernemers te waarborgen. Dit is slechts anders als sprake is van gewijzigde omstandigheden. De Afdeling ziet het leerstuk van de schaarse rechten, en de daarmee samenhangende in de jurisprudentie gestelde eisen en voorwaarden, waaraan de uitvoeringsnota niet volledig in overeenstemming is, als een gewijzigde omstandigheid waardoor het college van de hoofdregel mag afwijken dat vergunningen in beginsel voor onbepaalde tijd worden verleend. De Afdeling heeft hier eerder al over geoordeeld in haar uitspraak van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3081, onder 6.2. De Uitvoeringsnota bevat op zichzelf al een uitzonderingsmogelijkheid. Daarnaast is PK Waterbouw een onderneming die bedrijfsmatig bedrijfsvaartuigen in en om Amsterdam uitbaat waardoor zij kon dan wel had moeten weten dat er zeker sinds 2017 ontwikkelingen zijn in het beleid rond ligplaatsen. Ook heeft het college al eerder voor vaartuigen ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd verleend. Daarom is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is gehandeld. Anders dan PK Waterbouw betoogt is het onderscheid tussen bedrijfsvaartuigen en rondvaartboten daarbij niet relevant. In beide gevallen gaat het immers in de kern om de verdeling van schaarse ligplaatsen in de binnenstad van Amsterdam, in welk kader geen betekenis toekomt aan de aard of het gebruik van het vaartuig als zodanig.
4.2.    De Afdeling is evenals de rechtbank van oordeel dat het college redelijkerwijs de ligplaatsvergunning voor een periode van drie jaar heeft kunnen verlenen. Het college heeft gemotiveerd aangegeven dat het verlenen van een vergunning voor een periode van drie jaar een vaste gedragslijn is. De termijn is volgens het college voor ondernemers in zijn algemeenheid niet te kort om hun investeringen terug te verdienen en niet te lang, zodat ook andere ondernemers naar de schaarse vergunning kunnen meedingen. Ook is de gedachte geweest dat binnen drie jaar nieuw beleid zou worden ontwikkeld. Vergelijk ook de uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2892, onder 4.6. Het is de Afdeling gebleken dat PK Waterbouw geen gegevens heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken dat haar investering niet in drie jaar was terug te verdienen. Evenmin heeft PK Waterbouw andere omstandigheden aangevoerd waarom in haar geval  een langere vergunningstermijn zou moeten worden gegeven. Anders dan door PK Waterbouw op de zitting gesteld is het bij een beroep op onredelijkheid aan PK Waterbouw zelf om bij de vergunningsaanvraag gegevens te overleggen ter staving van de door haar gestelde individuele omstandigheden die tot afwijking van de vaste gedragslijn zouden nopen. Het is niet aan het college om om die gegevens te verzoeken. De Afdeling is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat de vergunningverlening voor een termijn van drie jaar in dit geval onredelijk is.
4.3.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
317-1104