ECLI:NL:RVS:2026:601

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202205496/2/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 lid 3 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit parkeerbehoefte sportschool Goirle wegens onvoldoende motivering

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van appellanten tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goirle van 30 april 2021 gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigd. De Afdeling oordeelde dat het college het besluit op bezwaar onvoldoende had gemotiveerd, met name over de verrekening van de parkeerbehoefte van een sportschool en een fietsenwinkel volgens de parkeernota van 2011.

Na een tussenuitspraak waarin het college werd opgedragen het besluit te herstellen, heeft het college bij brief van 24 januari 2024 een nadere motivering gegeven, waarbij het parkeeronderzoek van bureau Dufec en een advies van een verkeerskundige werden betrokken. Uit het onderzoek bleek dat de maximale parkeerbezetting in de omgeving 82% bedroeg, wat volgens het college een aanvaardbare parkeerdruk is.

Appellanten voerden aan dat het parkeeronderzoek gebrekkig was en dat de parkeerbehoefte veel hoger lag, maar de Afdeling vond de motivering en het onderzoek voldoende onderbouwd en representatief. De Afdeling vernietigde het besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het college het gebrek had hersteld. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het besluit van 30 april 2021 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand na aanvullende motivering.

Uitspraak

202205496/2/R2
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend in Goirle,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 11 augustus 2022 in zaken nrs. 21/2471 en 21/2482 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Goirle.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4429, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 8 weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van wat onder 7.7 is overwogen, het besluit van 30 april 2021 te herstellen.
Bij brief van 24 januari 2024 heeft het college het besluit van 30 april 2021 van een aanvullende motivering voorzien.
[appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft in de brief van 24 januari 2024 en de naar voren gebrachte zienswijze daarover geen aanleiding gezien voor een nader onderzoek op een zitting. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om opnieuw op een zitting te worden gehoord in verband met de vervanging van staatsraad mr. H.J.M. Baldinger door mr. E.A. Minderhoud. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 juni 2018. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Tussenuitspraak en besluit van 30 april 2021
2.       De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 7.7 geoordeeld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit op bezwaar van 30 april 2021 niet op een deugdelijke onderbouwing en motivering berust. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt dat aan de "Nota parkeernormen en uitvoeringsregels" van de gemeente Goirle van augustus 2011 (hierna: de parkeernota), wat betreft de wijze van verrekening, geen betekenis meer toekomt, niet inzichtelijk heeft gemaakt of in het licht van paragraaf 3.2.5 van de parkeernota de parkeerbehoefte van de sportschool mocht worden verrekend met de parkeerbehoefte van de fietsenwinkel, en onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe een parkeerbehoefte van 18 parkeerplaatsen dan wel 1 parkeerplaats in de openbare ruimte in de directe omgeving van de sportschool kan worden opgevangen op een wijze waarbij sprake is van een aanvaardbare parkeerdruk.
Gelet hierop heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 8 geconcludeerd dat het besluit op bezwaar in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen.
2.1.    Gezien het voorgaande is het hoger beroep van [appellant] gegrond. De aangevallen uitspraak en het besluit op het bezwaar van 30 april 2021 komen voor vernietiging in aanmerking.
De opdracht in de tussenuitspraak
3.       De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen dit gebrek in het besluit op bezwaar te herstellen. Het college diende daartoe met inachtneming van wat onder 7.7 van die uitspraak is overwogen het besluit op bezwaar toereikend te onderbouwen en motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen.
De nadere motivering in de brief van 24 januari 2024
4.       Ter uitvoering van de opdracht van de Afdeling heeft het college bij brief van 24 januari 2024 de motivering van het besluit op bezwaar van 30 april 2021 aangevuld. Het college heeft erop gewezen dat het bij het besluit van 16 januari 2024 de parkeernota heeft ingetrokken, zodat het de omgevingsvergunning niet hoeft te toetsen aan paragraaf 3.2.5 van de parkeernota, en de wijze van verrekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen mag plaatsvinden zoals dat in het besluit op bezwaar is gedaan. Volgens die berekenwijze leidt het gewijzigde gebruik tot een parkeerbehoefte van 1 parkeerplaats, aldus het college.
Het college heeft daarnaast het rapport ‘Parkeeronderzoek Korenmolenplein Goirle’ van 3 januari 2024, opgesteld door bureau Dufec, (hierna: het parkeeronderzoek) en het door een verkeerskundige van de gemeente Goirle daarover uitgebrachte advies van 16 januari 2024 aan het besluit van 30 april 2021 ten grondslag gelegd. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat de maximaal gemeten parkeerbezetting in de omgeving van de sportschool 82% bedraagt. Omdat bij de beoordeling van bestemmingsplannen een maximale parkeerbezetting van 85% wordt aangehouden, betekent dat volgens het college dat er in de omgeving van de sportschool nog voldoende parkeercapaciteit aanwezig is. Het college acht de parkeerdruk daarom aanvaardbaar.
Het college wijst erop dat in het parkeeronderzoek ook rekening is gehouden met de feitelijke parkeerdruk van het gebruik van de sportschool, aangezien de sportschool op het moment van het parkeeronderzoek al enkele jaren in gebruik was. Aldus is met het parkeeronderzoek volgens het college aangetoond dat de omgevingsvergunning, daargelaten de vraag of de parkeerbehoefte van de sportschool 18 parkeerplaatsen dan wel 1 parkeerplaats bedraagt, hoe dan ook geen onaanvaardbare parkeerdruk in de openbare ruimte in de directe omgeving van de sportschool veroorzaakt.
5.       Hierna zal de Afdeling aan de hand van de zienswijze van [appellant] bezien of er gelet op de nadere motivering die het college heeft overgelegd, aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit van 30 april 2021 in stand te laten.
De zienswijze van [appellant]
6.       [appellant] betoogt dat het college ook met de nadere motivering niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de parkeerbehoefte als gevolg van de sportschool in de openbare ruimte in de directe omgeving daarvan kan worden opgevangen op een wijze waarbij sprake is van een aanvaardbare parkeerdruk. Daartoe voert hij het volgende aan.
-Omgevingscategorie en parkeerkencijfers
7.       [appellant] voert aan dat de locatie van het perceel ten onrechte is aangemerkt als "schil centrum" en de parkeerbehoefte van de eerder op het perceel gevestigde fietsenwinkel ten onrechte is berekend met parkeerkencijfers voor bruin- en witgoedzaken in plaats van "kantoor met baliefunctie", als bedoeld in de CROW-publicatie nr. 317 "kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (hierna: de CROW-publicatie).
7.1.    De Afdeling overweegt dat dit aspect al in de tussenuitspraak onder 7.1 aan de orde is gekomen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat wat [appellant] hierover heeft aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat het college bij de parkeerbehoefteberekening ten onrechte de locatie van het perceel heeft aangemerkt als "schil centrum" en ten onrechte de parkeerbehoefte van de eerder op het perceel gevestigde fietsenwinkel heeft berekend met parkeerkencijfers voor bruin- en witgoedzaken als bedoeld in de CROW-publicatie. Behoudens uitzonderlijke gevallen kan niet worden teruggekomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat in zoverre van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.
-Parkeernota, parkeerbehoefte en parkeeronderzoek
8.       [appellant] betoogt dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte niet "ex tunc" heeft getoetst aan de ten tijde van het besluit op bezwaar nog geldende parkeernota, zodat in strijd met paragraaf 3.2.5 van de parkeernota de parkeerbehoefte van de sportschool is verrekend met de parkeerbehoefte van de eerder op het perceel gevestigde fietsenwinkel. [appellant] voert aan dat de parkeerbehoefte van de sportschool veel groter is dan waarvan het college is uitgegaan. [appellant] stelt dat als gevolg van de vestiging van de sportschool het parkeertekort 20 tot 25 parkeerplaatsen is.
[appellant] betoogt voorts dat het aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegde parkeeronderzoek gebrekkig is. Volgens [appellant] hadden de parkeermetingen op meer momenten moeten plaatsvinden dan in het parkeeronderzoek is gedaan. Deze zijn beperkt gebleven tot slechts 6 uur verdeeld over twee dagen, terwijl de sportschool gedurende 7 dagen per week in totaal 91 uur geopend is. Volgens [appellant] hadden de metingen in ieder geval ook op dinsdag tussen 17.00 en 19.00 uur en op zaterdag tussen 8.00 en 13.00 uur moeten worden uitgevoerd, omdat het dan drukker is bij de sportschool. Hij wijst in dit verband op afbeeldingen van Google met informatie over populaire bezoekerstijden aan het Korenmolenplein 8. Ook wijst hij erop dat de sportschool is gelegen in een woonwijk waar de parkeerbezetting op een doordeweekse dag na 17.00 uur toeneemt. Volgens [appellant] is voorts ten onrechte geen inzicht gegeven in de wijze waarop de parkeermetingen daar zijn uitgevoerd en het aantal afgegeven parkeerontheffingen in het onderzoeksgebied. Verder wijst [appellant] op een door hem overgelegde brief van bewoners van het Korenmolenplein gericht aan het college, waaruit volgt dat nu al veel parkeeroverlast van de sportschool wordt ervaren.
8.1.    Zoals onder 4 vermeld, heeft het college ter uitvoering van de opdracht in de tussenuitspraak door onderzoeksbureau Dufec nader onderzoek naar de beschikbare parkeercapaciteit en de parkeerdruk in de omgeving van het Korenmolenplein in Goirle laten uitvoeren. De sportschool was toen al enkele jaren in gebruik. Het parkeeronderzoek heeft geleid tot het rapport ‘Parkeeronderzoek Korenmolenplein Goirle’ van 3 januari 2024. Het parkeeronderzoek is uitgevoerd in een gebied met een loopafstand van ongeveer 250 m vanaf de sportschool. In het onderzoek zijn alleen openbaar toegankelijke parkeerplaatsen meegenomen. In het onderzoeksgebied is sprake van gratis parkeren en blauwe zone parkeren. De blauwe zone geldt van maandag tot en met vrijdag tussen 9.00 en 18.00 uur en op zaterdag tussen 9.00 en 17.00 uur. Tijdens deze perioden mogen voertuigen maximaal twee uur blijven staan met een parkeerschijf.
In het parkeeronderzoek is de parkeercapaciteit in het onderzoeksgebied in kaart gebracht en zijn parkeermetingen uitgevoerd, te weten op zaterdag 16 december 2023 tussen 13.00 en 14.00 uur en 14.00 en 15.00 uur, en op dinsdag 19 december 2023 tussen 13.00 en 14.00 uur, 14.00 en 15.00 uur, 19.00 en 20.00 uur en 20.00 en 21.00 uur. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat de maximaal gemeten parkeerbezetting in de omgeving van de sportschool op zaterdag tussen 14.00 en 15.00 uur 82% bedraagt.
8.2.    De Afdeling is van oordeel dat het college met het parkeeronderzoek voldoende heeft onderbouwd dat de omgevingsvergunning niet zal leiden tot een onaanvaardbare parkeeroverlast in de omgeving van de sportschool.
In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de representativiteit van de momenten waarop de parkeermetingen van het parkeeronderzoek hebben plaatsgevonden in het gebied met een loopafstand van ongeveer 250 m vanaf de sportschool. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] geen tegenrapport heeft ingebracht of anderszins feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een aanwijzing vormen dat op de gemeten momenten geen representatief beeld van de parkeersituatie kan worden verkregen. De parkeermetingen zijn zowel op een dinsdagmiddag- en avond, als op een zaterdagmiddag uitgevoerd. Dat de parkeermetingen niet ook op dinsdag tussen 17.00 en 19.00 uur en op zaterdag tussen 8.00 en 13.00 uur zijn uitgevoerd, maakt nog niet dat de in het onderzoek verrichte parkeermetingen niet representatief zijn voor de parkeersituatie in de omgeving van de sportschool ten gevolge van de sportschool en de overige functies in de omgeving daarvan tezamen. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een aanwijzing vormen dat op de door hem gestelde momenten de parkeerbezetting in de omgeving van de sportschool hoger is. De enkele verwijzing naar diagrammen op Google die populaire bezoekerstijden van de sportschool op zichzelf tonen, is daarvoor onvoldoende.
In wat [appellant] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling ook geen aanleiding om te twijfelen aan de uitgangspunten van het parkeeronderzoek. Dat geen inzicht is geboden in het aantal verleende parkeerontheffingen in het onderzoeksgebied maakt dit niet anders, omdat met de parkeerdrukmeting in het parkeeronderzoek de feitelijke parkeerdruk in de omgeving van de sportschool is gemeten, zodat ook de voertuigen van ontheffinghouders zijn meegenomen.
8.3.    Uit het parkeeronderzoek blijkt dat de maximaal gemeten parkeerbezetting in de omgeving van de sportschool 82% bedraagt. Aangezien het gemeentebestuur bij de beoordeling van bestemmingsplannen een maximale parkeerbezetting van 85% aanhoudt, is er volgens het college daarmee in de omgeving van de sportschool nog voldoende parkeercapaciteit aanwezig en is de parkeerdruk daarom aanvaardbaar. De Afdeling is van oordeel dat het college aldus voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de parkeerbehoefte van de sportschool in de openbare ruimte in de directe omgeving van de sportschool kan worden opgevangen op een wijze waarbij sprake is van een aanvaardbare parkeerdruk.
Wat [appellant] heeft aangevoerd over het hanteren van de parkeernota bij de berekening van de parkeerbehoefte als gevolg van de omgevingsvergunning, wat hiervan ook zij, brengt de Afdeling niet tot een andere conclusie. De sportschool was ten tijde van het parkeeronderzoek al enkele jaren in gebruik, zodat in het parkeeronderzoek rekening is gehouden met het daadwerkelijke gebruik van de sportschool en de gevolgen daarvan voor de parkeerdruk in de omgeving. Het college mocht zich gelet hierop op het standpunt stellen dat, zelfs als moet worden aangenomen dat de parkeerbehoefte als gevolg van de omgevingsvergunning aanzienlijk groter zou zijn dan berekend, met het parkeeronderzoek is aangetoond dat er hoe dan ook geen sprake is van een onaanvaardbare parkeerdruk in de openbare ruimte in de directe omgeving van de sportschool.
Het betoog slaagt niet.
-Herhalen en inlassen beroep
8.4.    Voor zover [appellant] heeft verzocht de overige door hem in beroep aangevoerde gronden als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling dat zij op die beroepsgronden al in de tussenuitspraak is ingegaan. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van beroepsgronden in de zienswijze is niet af te leiden waarom [appellant] van oordeel is dat de tussenuitspraak onjuist is. Zoals hiervoor werd overwogen, kan behoudens uitzonderlijke gevallen niet worden teruggekomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat in zoverre van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9.       Gelet op wat is overwogen in de tussenuitspraak, is het hoger beroep van [appellant] gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 30 april 2021 gegrond verklaren. Dit besluit komt wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.
10.     Het college heeft met de aanvullende motivering van 24 januari 2024 voldaan aan de in de tussenuitspraak opgenomen opdracht om het gebrek in het besluit van 30 april 2021 te herstellen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 30 april 2021 in stand te laten.
11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 augustus 2022 in zaken nrs. 21/2471 en 21/2482;
III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goirle van 30 april 2021;
V.       bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
VI.      gelast dat van het college van burgemeester en wethouders van Goirle aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 455,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kuipers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
271-1075