ECLI:NL:RVS:2026:555

Raad van State

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
202500947/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbAfdeling 4 hoofdstuk 7 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag en verwijzing naar rechtbank

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de minister inmiddels een besluit had genomen.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, omdat het belang om het hoger beroep te behandelen is komen te vervallen door het genomen besluit van de minister op 24 december 2025. Tevens wordt verwezen naar lopende prejudiciële procedures bij het Hof van Justitie over de verlenging van beslistermijnen.

De Afdeling veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant vanwege de overschrijding van de beslistermijn van vijftien maanden. Daarnaast verwijst de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 december 2025 naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, zodat appellant twee instanties heeft om de inhoudelijke beoordeling aan te vechten.

De uitspraak benadrukt het belang van rechtsbescherming en de juiste procedurele route bij asielzaken, waarbij de rechtbank in eerste aanleg de toetsing van asielbesluiten verricht en de Afdeling als hogerberoepsrechter fungeert.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 24 december 2025 is verwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

202500947/1/V1.
Datum uitspraak: 2 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 20 januari 2025 in zaak nr. NL24.51287 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 20 januari 2025 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 24 december 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant, inmiddels vertegenwoordigd door mr. A.A. van Harmelen, advocaat in Den Haag, heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag. Dat heeft de minister bij het besluit van 24 december 2025 wel gedaan. Wat appellant aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep. Dat wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2.       De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Na de einduitspraak in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal de Afdeling bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
3.       Het voorgaande heeft geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 24 december 2025 de aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 3 november 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister een besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het gaat om een punt voor het hogerberoepschrift. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 24 december 2025
5.       In het besluit van 24 december 2025 heeft de minister de asielaanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, beroep ingesteld tegen dat besluit. Bij de Afdeling is echter, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, al van rechtswege een beroep tegen dat besluit ontstaan.
6.       De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 24 december 2025, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam. De Afdeling acht het uit een oogpunt van rechtsbescherming passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. Op die manier heeft appellant twee instanties om de inhoudelijke beoordeling ter discussie te stellen. Daarbij is de rechtbank erop ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
7.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       verwijst het beroep tegen het besluit van 24 december 2025, [V-…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026
392