ECLI:NL:RVS:2026:483

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
202400159/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verzoek om verstrekking van documenten op basis van de AVG en Wob

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 november 2023. De zaak betreft een verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Bij brieven van 24 december 2020 hebben verweerders, waaronder de korpschef van politie en de minister van Financiën, het verzoek van [appellant] gedeeltelijk ingewilligd door een overzicht van persoonsgegevens te verstrekken, maar hebben zij het verzoek om inzage in bestuurlijke documenten afgewezen. Hiertegen heeft [appellant] bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het niet-tijdig besluiten op het bezwaar. Tijdens de procedure hebben partijen ingestemd met het instellen van rechtstreeks beroep.

De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat het verzoek van [appellant] niet als een inzageverzoek op grond van de AVG kan worden aangemerkt, omdat het verzoek gericht was op bestuurlijke documenten en niet op persoonsgegevens. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van [appellant]. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek geen aanvraag is als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat het verzoek van [appellant] inderdaad niet onder de AVG valt, maar een Wob-verzoek is. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Verweerders hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202400159/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend in [woonplaats] en
[appellant B], wonend in [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 23 november 2023 in zaken nrs. 21/832, 21/922, 21/923 in de gedingen tussen:
[appellant]
en
de korpschef van politie;
de minister van Financiën;
de minister van Justitie en Veiligheid;
de burgemeester van Groningen;
de burgemeester van Leeuwarden (hierna tezamen: verweerders).
Procesverloop
Bij brieven van 24 december 2020 hebben verweerders, voor zover in hoger beroep aan de orde, het verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten gedeeltelijk ingewilligd.
Op de zitting bij de rechtbank hebben de partijen ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Bij uitspraak van 23 november 2023 heeft de rechtbank zich, voor zover in hoger beroep aan de orde, onbevoegd verklaard van het door [appellant] ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Verweerders hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 augustus 2025, waar [appellant A] en [appellant B], vergezeld door [persoon] en bijgestaan door mr. T.R. Klatter, advocaat in Groningen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Hanhart, advocaat in Den Haag, en mr. T.N.F. Goeting, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
2.       Bij brief van 12 mei 2020 heeft [appellant] onder vermelding van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG), de sectorale wetten die van toepassing zijn op de convenantpartners van het Regionale Informatie- en Expertisecentrum Noord-Nederland (hierna: RIEC) en de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verzocht om verstrekking van documenten over hem die berusten bij het RIEC Noord-Nederland. Bij brieven van 24 december 2020 hebben verweerders dat verzoek gedeeltelijk ingewilligd door een overzicht te verstrekken van de aanwezige persoonsgegevens van [appellant]. Verweerders hebben het verzoek afgewezen voor zover om inzage of openbaarmaking van bestuurlijke documenten wordt verzocht. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt, en beroep ingesteld tegen het niet-tijdig besluiten op het bezwaar. Tijdens die procedure hebben [appellant] en verweerders ingestemd met het instellen van rechtstreeks beroep.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft overwogen dat dit geding slechts betrekking heeft op de vraag of verweerders op grond van de AVG verplicht zijn om gegevens te verstrekken. Volgens de rechtbank is niet in geschil dat geen verzoek op grond van de Wet politiegegevens is ingediend. Voor zover het gaat om een Wob-verzoek is dit in een besluit van 14 april 2023 gedeeltelijk ingewilligd, waarna [appellant] het beroep tegen de afwijzing van dat verzoek heeft ingetrokken.
De rechtbank heeft over het resterende deel van het verzoek van [appellant] geoordeeld dat dit geen verzoek om inzage in persoonsgegevens is als bedoeld in artikel 15 van de AVG omdat uit de bewoordingen van dat verzoek blijkt dat het niet is gericht op het verkrijgen van inzage in persoonsgegevens, maar op het verkrijgen van bestuurlijke documenten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat artikel 15 van de AVG geen recht geeft op inzage in bestuurlijke documenten. Omdat het verzoek van [appellant] daarom geen AVG-verzoek is en ook niet anderszins een aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank geoordeeld dat tegen de afwijzing van dat verzoek geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat.
Hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Hij voert daartoe aan dat zijn verzoek uitdrukkelijk is gebaseerd op artikel 15 van de AVG. Een reactie op dat inzageverzoek is dan op grond van artikel 34 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: UAVG) een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet ambtshalve heeft mogen toetsten of sprake was van een AVG-verzoek omdat dat tussen partijen niet in geschil was. Verweerders hadden immers op het verzoek besloten.
[appellant] heeft de Afdeling verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 15 van de AVG.
Ambtshalve toetsing door de rechtbank
5.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2891, onder 11, is de bevoegdheid van de bestuursrechter een kwestie van openbare orde. Als de bevoegdheid van de bestuursrechter afhangt van de vraag of sprake is van een AVG-verzoek, moet de bestuursrechter dit dus ambtshalve beoordelen. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank daarom terecht ambtshalve beoordeeld of het verzoek een inzageverzoek was op grond van artikel 15 van de AVG.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Het verzoek
6.       Artikel 15 van de AVG geeft een betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het doel van artikel 15 van de AVG dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3844, onder 5.1). Zoals de Afdeling in die uitspraak verder heeft overwogen, heeft de AVG niet tot doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren.
6.1.    [appellant] heeft het verzoek ingediend met een verwijzing naar verschillende wetten, waaronder de AVG. De behandeling van dat verzoek is tijdens de procedure opgesplitst in zaken over de verschillende wetten. In dit geding is het verzoek dus alleen aan de orde voor zover [appellant] daarbij heeft verwezen naar de AVG. Uit de bewoordingen van het verzoek, en wat gedurende de beroepsprocedure daarover is voorgevallen, blijkt dat het was gericht op documenten over verzoeken om ondersteuning, adviesrapporten, en communicatie tussen het RIEC en een aantal instanties over bedrijven waarvan [appellant] bestuurder was. Zoals [appellant] op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, wilde hij inzage in de correspondentie en andere documenten die op hem betrekking hebben om te achterhalen of en in hoeverre het handelen van het RIEC zijn bedrijven benadeelde. De Afdeling is van oordeel dat het verzoek van [appellant] daarmee was gericht op verstrekking van bestuurlijke documenten. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat met dat verzoek geen inzage in persoonsgegevens als bedoeld in artikel 15 van de AVG is beoogd. Daarom is artikel 34 van de UAVG ook niet op het verzoek van toepassing. Het verzoek van [appellant] is daarentegen enkel een Wob-verzoek. Op dat Wob-verzoek hebben verweerders al een besluit genomen, waartegen [appellant] in een andere procedure bezwaar en beroep heeft ingesteld. Het Wob-verzoek van [appellant] is dan ook geen onderdeel van dit geding. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het verzoek, voor zover in dit geding aan de orde, geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
7.       De Afdeling ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen over de omvang van het verzoek. [appellant] heeft verzocht om de vraag voor te leggen of artikel 15 van de AVG zo moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen het opwerpen van formele en materiële beperkingen van het recht op inzage in persoonsgegevens. Alleen al omdat [appellant] niet heeft verzocht om inzage in persoonsgegevens en dus in dit geval artikel 15 van de AVG niet van toepassing is, behoeven die vragen geen beantwoording in dit geding.
Slotsom
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, zal worden bevestigd.
9.       Verweerders hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
314-1114
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 15, eerste lid
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 34. Toepasselijkheid Algemene wet bestuursrecht bij beslissing van bestuursorganen
Een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de verordening wordt genomen binnen de in artikel 12, derde lid, van de verordening genoemde termijnen en geldt, voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan, als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht."