ECLI:NL:RVS:2026:4425

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202505838/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:74 APV LeeuwardenArt. 5:32b AwbArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom wegens drugsdeal op openbare weg in Leeuwarden

De burgemeester van Leeuwarden legde op 30 april 2024 aan appellant een last onder dwangsom op wegens het handelen in drugs op straat, gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie. De last is opgelegd op grond van artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden, dat het verboden maakt zich op de openbare weg te begeven met het kennelijke doel om verdovende middelen te verhandelen.

De rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 30 oktober 2025 dat de burgemeester terecht aannam dat appellant de APV had overtreden, mede gelet op waarnemingen van de Criminele Interventie Groep en de vondst van vermoedelijke harddrugs bij aanhouding. De rechtbank vond het niet relevant dat de drugs niet getest waren, omdat het kennelijke doel al voldoende is.

Appellant stelde in hoger beroep dat de rapportage onvoldoende was en dat de drugs bestemd waren voor privégebruik, en betwistte de hoogte van de dwangsom. De Raad van State oordeelde dat de concrete omstandigheden en getuigenverklaringen voldoende aannemelijk maken dat appellant handelde met het kennelijke doel drugs te verhandelen. De hoogte van de dwangsom werd als proportioneel en passend beoordeeld, mede gelet op de ernst van de overlast door drugshandel op straat.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de last onder dwangsom wegens drugsdeal en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202505838/1/A3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 30 oktober 2025 in zaak nr. 24/3473 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Leeuwarden.
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2024 heeft de burgemeester aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.H.W. Spoelstra, advocaat in Gouda, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.R.A. Schellingerhout en mr. R.M. Posthuma, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie heeft [appellant] gehandeld in drugs op straat. De burgemeester heeft hierop aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat hij nogmaals handelt in strijd met artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (APV). Volgens dit artikel is het verboden je op de openbare weg te begeven met de kennelijke bedoeling om in verdovende middelen te handelen. Als [appellant] de last overtreedt moet hij een bedrag betalen van € 5.000,00 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 20.000,00.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester op basis van de bestuurlijke rapportage terecht heeft geconcludeerd dat aannemelijk is dat [appellant] artikel 2:74 van Pro de APV heeft overtreden. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat agenten van de Criminele Interventie Groep (CIG) Leeuwarden hebben geconstateerd dat [appellant] vermoedelijk drugs dealde en dat bij de aanhouding van [appellant] vermoedelijk harddrugs zijn aangetroffen. Dat de drugs niet zijn getest is niet van belang volgens de rechtbank, omdat de bepaling al wordt overtreden door het ‘zich ophouden op een openbare plaats met het kennelijke doel’. De burgemeester was bevoegd tot het opleggen van de last onder dwangsom omdat sprake is van een overtreding van artikel 2:74 van Pro de APV, en heeft redelijkerwijs van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken, aldus de rechtbank.
Wettelijk kader
3.       Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep
Is voldoende aannemelijk dat [appellant] artikel 2:74 van Pro de APV heeft overtreden?
4.       [appellant] betoogt ten eerste dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester aannemelijk heeft gemaakt dat hij artikel 2:74 van Pro de APV heeft overtreden. [appellant] voert hiertoe aan dat de inhoud van de bestuurlijke rapportage onvoldoende is, omdat daaruit niet blijkt dat er concrete omstandigheden zijn die erop wijzen dat hij zich op 7 maart 2024 op straat bevond met het kennelijke doel om drugs te verhandelen. De aangetroffen drugs waren bestemd voor privégebruik en dus niet voor de handel. Daarnaast blijkt niet uit de rapportage dat [appellant] drugs heeft verhandeld op de openbare weg. Tot slot is de hoeveelheid contant geld niet zodanig dat dit zonder meer in verband kan worden gebracht met de handel in drugs.
5.       Uit de toelichting van artikel 2:74 van Pro de APV volgt dat het kennelijke doel om drugs te verhandelen kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers en het waarnemen van transacties. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden opgemaakt dat overtreding van artikel 2:74 van Pro de APV doorgaans aannemelijk wordt geacht als sprake is van verklaringen van getuigen dat drugs worden verhandeld en er handelingen zijn waargenomen die worden herkend als dealergedrag. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5330, onder 5.1.
6.       De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aannemelijk is dat [appellant] artikel 2:74 van Pro de APV heeft overtreden. De rechtbank heeft hiertoe terecht waarde toegekend aan de bestuurlijke rapportage waarin staat dat agenten van de CIG in Leeuwarden hebben geconstateerd dat [appellant] handelingen verrichtte die duidden op dealergedrag en dat bij de aanhouding van [appellant] vermoedelijk drugs bij hem zijn aangetroffen. De bestuurlijke rapportage bevat daarnaast een verklaring van een getuige, waarin de getuige verklaart dat hij recentelijk heroïne heeft gekocht bij de inzittenden van de auto, onder wie [appellant]. Het kennelijke doel om drugs te verhandelen blijkt uit deze concrete omstandigheden. Op de zitting is bovendien gebleken dat uit een aanvullende rapportage volgt dat het inderdaad om drugs ging. Dit is niet langer in geschil tussen partijen.
7.       Het betoog slaagt niet.
Hoogte van de dwangsom
8.       [appellant] betoogt ten tweede dat de hoogte van de dwangsom niet evenredig is. Hij verzoekt het maximumbedrag van de last onder dwangsom vast te stellen op € 10.000,00. Hij voert hiertoe aan dat dit maximumbedrag in soortgelijke zaken gehanteerd wordt.
9.       In artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Van de dwangsom moet zo’n prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt opgevolgd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Met het opleggen van de last wordt beoogd de overlast en verstoring van de openbare orde die drugshandel op straat met zich brengt terug te dringen. Uit dat oogpunt is een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding met een maximum van € 20.000,00 niet onevenredig. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1706, onder 4 en van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117, onder 4.4. Dat andere gemeenten een lager maximum bedrag zouden hanteren, doet aan dit oordeel niet af.
10.     Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
12.     De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
317-1202
BIJLAGE
ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Artikel 5:32b
1 Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2 Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3 De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING LEEUWARDEN
Artikel 2:74
Verzameling van personen in verband met drugs of heling
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.