ECLI:NL:RVS:2026:4312

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003364
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake inreisverbod en vertrekopdracht EU

Appellant werd bij besluit van 24 februari 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en kreeg een inreisverbod opgelegd. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juli 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet.

Tegen deze uitspraak stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hogerberoepschrift bevat geen nieuwe vragen die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin raken, noch vragen over Unierecht.

Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 24 juli 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.003364
Datum uitspraak: 24 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 juli 2026 in zaak nr. NL24.11531 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 2 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 4 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026
967