ECLI:NL:RVS:2026:4264

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202506029/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6:177a BWArt. 4:84 AwbArt. 1:3 AwbTijdelijke wet Groningen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding immateriële schade door gaswinning in Groningen bevestigd

Appellante vroeg vergoeding van immateriële schade als gevolg van gaswinning in Groningen, maar het Instituut Mijnbouwschade Groningen wees haar aanvraag af op basis van een gestandaardiseerde methode die onder meer de locatie, veiligheid, fysieke schade en duur van de schadeafhandeling beoordeelt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt dit in hoger beroep. Hoewel appellante een zwaar profiel van persoonlijk leed (PIA) had ingevuld, waren de objectieve aanwijzingen voor persoonsaantasting onvoldoende volgens de bouwstenen van de regeling.

De Afdeling oordeelt dat het Instituut terecht alleen vastgestelde fysieke schade meeneemt en dat de ondergrens voor het aannemen van persoonsaantasting redelijk en in overeenstemming met de rechtspraak is. Persoonlijke omstandigheden, zoals een verergerde chronische ziekte, kunnen in een maatwerkprocedure worden beoordeeld, maar appellante leverde onvoldoende bewijs daarvoor.

De Afdeling concludeert dat het Instituut de regeling correct heeft toegepast en dat er geen reden is om af te wijken van de gestandaardiseerde methode. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor vergoeding van immateriële schade wordt bevestigd wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen voor persoonsaantasting.

Uitspraak

202506029/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Groningen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 november 2025 in zaak nr. 24/2636 in het geding tussen:
[appellante]
en
het Instituut Mijnbouwschade Groningen.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2023 heeft het Instituut een aanvraag van [appellante] om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Bij besluit van 30 april 2024 heeft het Instituut het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 juni 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R.J.A. Steenbergen, advocaat in Groningen, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. C.L. Kuipers en mr. R.D Langezaal, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] woont aan de [locatie 1] in de stad Groningen. Van 25 november 2013 tot 1 november 2025 woonde zij aan de [locatie 2] in Groningen. Daaraan voorafgaand woonde zij - in ieder geval vanaf 16 augustus 2012 - aan de [locatie] te Eenrum. Deze adressen liggen in het aardbevingsgebied.
2.       Het Instituut heeft op 12 juli 2023 de aanvraag van [appellante] om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de gaswinning in Groningen ontvangen. Immateriële schade is ander nadeel dan vermogensschade en betreft schade die iemand lijdt in de vorm van pijn, psychisch leed, verdriet of gederfde levensvreugde.
3.       Het Instituut heeft de aanvraag afgewezen. Het Instituut ziet in de situatie van [appellante] niet voldoende concrete aanwijzingen voor een persoonsaantasting ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit besluit van 26 juli 2023 is gehandhaafd bij besluit van 30 april 2024.
4.       De Afdeling beoordeelt in hoger beroep aan de hand van de gronden van [appellante] of de regeling voor vergoeding van immateriële schade aanvaardbaar en redelijk is, de regeling goed is toegepast en of de toepassing van de regeling niet tot een onevenredige uitkomst in dit geval leidt.
Regeling immateriële schadevergoeding: algemeen
5.       De Tijdelijke wet Groningen (TwG) regelt de publiekrechtelijke afhandeling van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag in Norg of Grijpskerk. Het Instituut beslist op aanvragen om vergoeding van schade, waaronder immateriële schade. Het Instituut is vormgegeven als een zelfstandig bestuursorgaan om te voorzien in de behoefte aan onafhankelijke schadevergoeding op grond van specifieke deskundigheid. Uit (de ontstaansgeschiedenis van) de TwG volgt dat de schadeafhandeling rechtvaardig, voortvarend en ruimhartig moet zijn. Het Instituut moet daarbij ook de regels van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht overeenkomstig toepassen (artikel 2, zesde lid, van de TwG). Het Instituut stelt een procedure en een werkwijze vast voor de behandeling van aanvragen (artikel 10, eerste lid, van de TwG).
6.       De regeling voor vergoeding van immateriële schade (de regeling) is neergelegd in de Procedure en werkwijze van het Instituut (artikelen 4.1 tot en met 4.8).
7.       Het Instituut kent op aanvraag vergoedingen toe voor immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het BW. Daarbij gaat het vooral om persoonsaantasting op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het BW.
8.       Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het daarbij gaat om geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven moet worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de in artikel 6:106, onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze. Ook hier geldt het uitgangspunt dat dit met concrete gegevens moet worden onderbouwd. In uitzonderlijke gevallen kunnen de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis echter meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zó voor de hand liggen, dat een persoonsaantasting op andere wijze kan worden aangenomen, zonder dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde concreet zijn onderbouwd. Wel zal in dit geval de aard en ernst van de normschending met concrete gegevens moeten worden onderbouwd, alsook waarom aan de hand daarvan moet worden aangenomen dat sprake is van een dergelijke persoonsaantasting. De omstandigheid dat sprake is van een schending van een fundamenteel recht is daartoe op zichzelf onvoldoende (zie het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, onder 4.2.2).
9.       De Hoge Raad heeft in de prejudiciële beslissing van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, onder 2.13.1-2.13.6, verduidelijkt dat het voorgaande niet anders is wanneer vergoeding van schade wordt gevorderd die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk. Om te kunnen aannemen dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen dat op grond van artikel 6:106, onder b, van het BW voor vergoeding in aanmerking komt, volstaat niet de enkele vaststelling dat de benadeelde woont in het gebied waar dikwijls aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben. Hetzelfde geldt voor de benadeelde die op de in artikel 6:106, onder b, van het BW bedoelde andere wijze in zijn persoon is aangetast. Verder zijn volgens de Hoge Raad min of meer forfaitaire vergoedingen niet verenigbaar met het hoogstpersoonlijke karakter van de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Wel zou de rechter voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld kunnen oordelen dat, gezien de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis aldaar, het zo evident is dat zij hierdoor nadelige gevolgen ondervinden dat een aantasting in de persoon mag worden aangenomen, zonder dat iedere bewoner dit individueel hoeft te onderbouwen en dat hun immateriële schade ten minste een bepaald bedrag beloopt.
10.     In de regeling is neergelegd dat het Instituut de persoonsaantasting op andere wijze (niet zijnde lichamelijk of geestelijk leed) beoordeelt aan de hand van een gestandaardiseerde methode. Volgens het Instituut is de gestandaardiseerde methode een redelijke en aanvaardbare methode om de aanvragen van tienduizenden Groningers om vergoeding van immateriële schade te beoordelen en te begroten. Het zeer grote aantal benadeelden maakt het niet mogelijk om persoonlijke omstandigheden op voorhand tot in detail mee te wegen. Verder moet recht worden gedaan aan het uitgangspunt van een ruimhartige schadeafhandeling, door een benadeelde te ontlasten in de onderbouwing van de aantasting van zijn persoon en de daaruit voortvloeiende schade. Een veelvoorkomende schade vergt ook dat vertraging in afwikkeling, (verdere) procedurestress en rechtsongelijkheid moeten worden voorkomen. Dit geldt zowel voor de vraag of een aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade, alsook voor de vraag op welk bedrag aanspraak bestaat. De gestandaardiseerde methode met forfaitaire bedragen stelt het Instituut in staat om op efficiënte en doelmatige wijze de immateriële schade vast te stellen en te begroten. Dit is noodzakelijk, omdat het om grote aantallen aanvragen om vergoeding van immateriële schade en daarop te nemen besluiten gaat. Eind juni 2026 waren er in totaal al 151.538 aanvragen, waarvan er 147.943 door het Instituut zijn afgehandeld (zie de website schadedoormijnbouw.nl).
11.     Binnen de gestandaardiseerde methode maakt het Instituut aan de hand van zogeheten bouwstenen en een vragenlijst een inschatting van de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor de bewoner, en daarmee of en zo ja, in welke mate een persoonsaantasting kan worden aangenomen. De aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis worden in dit geval gekenmerkt door herhaalde aardbevingen over een langdurige periode d in bepaalde gebieden fysieke schade aan woningen veroorzaken, waardoor bij bewoners angst voor hun veiligheid kan zijn veroorzaakt, hun persoonlijke leefomgeving is geraakt en zij kunnen zijn geconfronteerd met een proces van schadeafwikkeling. Het is om deze reden dat het Instituut voorop heeft gesteld dat zijn methodiek voor vergoeding van immateriële schade aan deze aspecten recht moet doen.
Hoofdlijnen van de regeling immateriële schade
12.     Voor toepassing van deze methode komen meerderjarige personen in aanmerking die in de periode vanaf 16 augustus 2012 (de aardbeving van Huizinge) tot de dag van ontvangst van de aanvraag op enig moment woonachtig zijn geweest in het effectgebied waar het bewijsvermoeden van artikel 6:177a van het BW van toepassing is (geweest) en meerderjarige personen aan wie een vergoeding is toegekend voor de fysieke schade veroorzaakt door de gaswinning uit het Groningerveld of de gasopslag in Norg of Grijpskerk (artikel 4.2 van de regeling).
13.     Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade in beginsel aan de hand van de gestandaardiseerde methode, die de volgende systematiek kent. Het Instituut toetst de aanvraag aan zogeheten bouwstenen. De bouwstenen zijn: (1) de locatie van de woning(en) van de aanvrager, (2) de veiligheidssituatie ten aanzien van die woningen(en), (3) de omvang van de fysieke schade aan die woning(en) en (4) de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade aan die woning(en). Deze bouwstenen zijn vervolgens onderverdeeld in situaties waaraan punten zijn verbonden. Bij de eerste bouwsteen kunnen 0 tot 2 punten worden toegekend en bij de overige bouwstenen 0 tot 4 punten. Hoe meer punten, des te sterker de aanwijzing dat sprake is van een persoonsaantasting. Wanneer het totaal aantal punten voor alle bouwstenen tussen de 0 en 3 punten ligt, bestaan er in beginsel onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor de aanvrager, meebrengen dat hij in zijn persoon is aangetast. Over het algemeen moet bij deze categorie worden gedacht aan situaties waarin sprake is van eenvoudige schades met een beperkte afhandelingsduur, vaak ook nog zonder indicatoren voor onveiligheid in relatie tot de woning. In dat geval wordt geen vergoeding voor immateriële schade toegekend. Wanneer er voldoende aanwijzingen zijn voor persoonsaantasting (4 tot 6 punten), ernstige persoonsaantasting (7 tot 9 punten) of bijzonder ernstige persoonsaantasting (10 tot 14 punten) wordt respectievelijk een forfaitaire vergoeding van € 1.500, € 3.000 of € 5.000 toegekend.
14.     Verder kan een aanvrager ervoor kiezen om een vragenlijst - ook wel de Persoonlijke Impact Analyse (PIA) genoemd - in te vullen. De vragen gaan over het persoonlijk welbevinden, het dagelijks functioneren en de sociale omgeving. De PIA dient ertoe de persoonlijke ervaring van de aanvrager bij de beoordeling mee te wegen. De persoonlijke ervaring wordt vergeleken met een representatieve referentiegroep en aan de hand van die vergelijking ingeschat op één van de vier profielen: profiel 1 = tot licht ervaren leed, profiel 2 = enigszins ernstig ervaren leed, profiel 3 = ernstig ervaren leed en profiel 4 = bijzonder ernstig ervaren leed.
15.     De uitslag van de PIA kan fungeren als correctiemechanisme, in die zin dat het kan leiden tot een zwaardere inschatting van de mate waarin een aanvrager in zijn persoon is aangetast. Dit is echter alleen mogelijk wanneer er op basis van de bouwstenen in totaal 3 of meer punten zijn toegekend. Het Instituut heeft deze ondergrens gesteld, omdat uit de onder 9 genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad onder 2.13.5 volgt dat de enkele vaststelling dat iemand woont in een gebied waar regelmatig aardbevingen plaatsvinden en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van de benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben, onvoldoende is voor het aannemen van een persoonsaantasting.
16.     De combinatie van de bouwstenen en de vragenlijst leidt tot de onderstaande resultaten:
17.     Het Instituut hanteert op de voorgaande methode nog twee correctiemechanismen. Het betreft allereerst de situatie waarin een ander lid van hetzelfde huishouden op basis van de methodiek een hogere uitkomst had. In die gevallen wordt, onder voorwaarden, uitgegaan van dezelfde uitkomst voor de aanvrager. De tweede correctie betreft de situatie waarin aan een woning versterkingsmaatregelen zijn getroffen, waaronder sloop- en nieuwbouw. Het Instituut kent in die gevallen, ongeacht de verdere uitkomst van de bouwstenen, het hoogste bedrag toe (€ 5.000).
18.     Verder biedt de regeling de mogelijkheid om een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade, in afwijking van de gestandaardiseerde methode, te beoordelen aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval (een maatwerkprocedure). Het is aan de aanvrager om de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken dat hij of zij op basis van die feiten en omstandigheden recht heeft op (een hogere) immateriële schadevergoeding. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn wanneer sprake is van bijzonder ernstige persoonlijke omstandigheden die evident niet verdisconteerd zijn in de gestandaardiseerde methode. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om situaties waarin de aanvrager stelt dat sprake is van geestelijk letsel, zoals een posttraumatische stressstoornis. Geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, is een aparte grond voor vergoeding van immateriële schade. Waar de aanvrager in het kader van de gestandaardiseerde methode sterk wordt ontlast bij het onderbouwen van een persoonsaantasting, blijft de bewijslast voor omstandigheden die nopen tot afwijking van de gestandaardiseerde methode dus wel volledig bij de aanvrager liggen.
19.     De regeling is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit artikel 4:84 van Pro de Awb volgt dat het Instituut overeenkomstig deze beleidsregel handelt, tenzij dat voor [appellante] gevolgen zou hebben die, wegens bijzondere omstandigheden, onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Besluitvorming
20.     Het Instituut heeft op de aanvraag van [appellante] de gestandaardiseerde methode toegepast. Bij toetsing aan de bouwstenen is het Instituut op totaal 2 punten uitgekomen: 1 punt voor de locatie van de woning(en) (bouwsteen 1), 0 punten voor de veiligheidssituatie van de woning(en) (bouwsteen 2), 1 punt voor de omvang van de fysieke schade aan de woningen(en) (bouwsteen 3) en 0 punten voor de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade aan de woning(en) (bouwsteen 4).
21.     Bij de toepassing van bouwsteen 1 kijkt het Instituut naar het gebied waar volgens de adviezen van de Adviescommissie waardedaling aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2021 waardedaling is opgetreden. Wanneer de woning(en) van de aanvrager binnen een gebied liggen waar een waardedaling van minimaal 10% is opgetreden (het kerngebied), dan vormt dit een aanwijzing voor persoonsaantasting en worden 2 punten toegekend. Wanneer de woning(en) van de aanvrager in een gebied liggen waar een waardedaling tot 10% is opgetreden, dan vormt dit een lichte aanwijzing voor persoonsaantasting en wordt 1 punt toegekend. Wanneer de woning(en) van de aanvrager buiten het gebied liggen waar waardedaling is opgetreden, maar binnen het effectgebied waar het bewijsvermoeden van artikel 6:177a van het BW van toepassing is (geweest), dan vormt dit geen aanwijzing voor persoonsaantasting en worden 0 punten toegekend. Dit laat echter onverlet dat een aanvrager die buiten het waardedalingsgebied, maar binnen het effectgebied woont alsnog voor een vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt wanneer toepassing van de andere bouwstenen in totaal 3 of meer punten opleveren.
22.     In het geval van [appellante] heeft het Instituut vastgesteld dat de woning aan de [locatie 2] in Groningen niet in het gebied ligt waar woningen in waarde zijn gedaald. De woning aan de [locatie 3] in Eenrum ligt in het gebied waar in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2021 maximaal 2,72% waardedaling is opgetreden. Het hoogste percentage waardedaling is bepalend. Omdat de waardedaling minder dan 10% bedraagt, heeft het Instituut op grond van artikel 4.3 van de regeling voor deze bouwsteen 1 punt (een lichte aanwijzing voor persoonsaantasting) toegekend.
23.     Bij de toepassing van bouwsteen 3 kijkt het Instituut naar het totaal van alle uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade op de adressen waar een aanvrager woont of heeft gewoond en waar een procedure over fysieke schade in behandeling was op enig moment dat een aanvrager daar woonde. Alle uitkeringen tellen mee; vouchers van de NAM, uitkeringen op basis van de Stuwmeerregeling en vergoedingen voor bijkomende kosten.
24.     Het Instituut heeft ten aanzien van de adressen waar [appellante] heeft gewoond, vastgesteld dat vanaf 16 augustus 2012 één melding van fysieke schade is afgerond op het adres [locatie 2] in Groningen. In totaal is een bedrag van € 8.085,27 uitgekeerd voor de fysieke schade aan de woning als gevolg van aardbevingen. Voor de overige adressen is geen vergoeding voor fysieke schade toegekend. Uit artikel 4.5 van de regeling volgt dat de situatie waarin de som van alle uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade € 1.000 tot € 10.000 bedraagt 1 punt (een lichte aanwijzing voor een persoonsaantasting) oplevert.
25.     De beoordeling van de door [appellante] ingevulde PIA heeft geleid tot profiel 4 ‘bijzonder ernstig ervaren leed’. De combinatie van het aantal punten (2) op basis van de bouwstenen en het profiel op basis van de PIA leidt tot het resultaat dat er onvoldoende aanwijzingen bestaan om een persoonsaantasting aan te nemen (zie artikel 4.8 van de regeling). Het Instituut heeft de aanvraag van [appellante] om vergoeding van immateriële schade daarom afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
26.     De rechtbank is van oordeel dat het Instituut het besluit van 30 april 2024 voldoende heeft gemotiveerd door uit te leggen hoe de gestandaardiseerde methode is toegepast op de situatie van [appellante].
27.     Bij de beoordeling van bouwsteen 3 (omvang van de schade) betrekt het Instituut terecht alleen vastgestelde schade als gevolg van de gaswinning en niet de door [appellante] gestelde daadwerkelijk geleden schade. [appellante] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er meer mijnbouw gerelateerde schade aan haar woning is die had moeten worden meegenomen in de beoordeling.
28.     De rechtbank is onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3822, van oordeel dat de in de regeling gehanteerde ondergrens voor het aannemen van een persoonsaantasting als bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het BW in overeenstemming is met de geldende rechtspraak. Het Instituut heeft in het geval van [appellante], waarin twee punten zijn toegekend in combinatie met een PIA -profiel 4, terecht geconcludeerd dat op basis van de gestandaardiseerde methode de grens voor het aannemen van een persoonsaantasting niet is gehaald. [appellante] heeft hier te weinig tegenover gesteld.
29.     De rechtbank is verder van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van [appellante] voldoende zijn meegenomen en op juiste wijze zijn gewogen in de beoordeling. Na schorsing van het onderzoek op de zitting, om partijen de gelegenheid te geven een maatwerktraject op te starten, is gebleken dat alle relevante persoonlijke omstandigheden van [appellante] in de PIA zijn meegenomen en er geen reden bestaat om maatwerk toe te passen.
Het hoger beroep en de beoordeling door de Afdeling
30.     [appellante] heeft op de zitting haar betoog dat het Instituut niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het de gestandaardiseerde methode heeft toegepast op haar situatie, ingetrokken.
Toepassing van bouwsteen 3 (omvang van de fysieke schade)
31.     Volgens [appellante] miskent de rechtbank dat het Instituut bij bouwsteen 3 niet mocht uitgaan van 1 punt. Zij betoogt dat het Instituut ten onrechte slechts rekening houdt met de uitgekeerde vergoeding(en) voor fysieke schade in plaats van de daadwerkelijk geleden schade. Aan haar woning aan de [locatie 1] in Groningen, waar zij vanaf 1 november 2025 woont, zijn scheuren ontstaan. Dit blijkt uit de foto’s die zij heeft overgelegd. Zij kan als huurder zelf geen melding doen van mijnbouwschade, maar is hiervoor afhankelijk van de verhuurder. Zij heeft de woningcorporatie op de hoogte gesteld van de scheuren, maar de woningcorporatie heeft de schade nog niet gemeld bij het Instituut.
31.1.  De Afdeling stelt voorop dat het Instituut in het besluit van 30 april 2024 geen rekening kon houden met schade aan de woning aan de [locatie 1]. Het Instituut stelt ook niet bekend te zijn met een schademelding van na deze datum. Het Instituut heeft verder toegelicht dat [appellante] door middel van een vervolgaanvraag kan laten toetsen of een nieuwe, afgeronde schademelding van invloed is op het aantal toegekende punten bij bouwsteen 3 (hoogte fysieke schade) en bouwsteen 4 (doorlooptijd) en daarmee op het bedrag aan immateriële schadevergoeding.
31.2.  De Afdeling is van oordeel dat het Instituut terecht niet-vastgestelde fysieke schade buiten beschouwing laat bij de toepassing van bouwsteen 3. De regeling heeft tot doel immateriële schade als gevolg van aardbevingen te vergoeden. De achtergrond van bouwsteen 3 is dat fysieke mijnbouwschade aan de woning leidt tot een concrete aantasting van de persoonlijke levenssfeer en woonsituatie van een bewoner. Dit zal kunnen hebben geleid tot stress en onzekerheid in het leven van de aanvrager en zijn of haar gezin. Hoe groter de totale omvang van de fysieke mijnbouwschade aan de woning(en) van een aanvrager is, hoe ernstiger in de regel de concrete aantasting van de persoonlijke levenssfeer en woonsituatie zal zijn en hoe sterker de aanwijzing voor persoonsaantasting is (zie de toelichting op artikel 4.5 van de regeling, Stcrt. 2022, 18235). Het Instituut stelt terecht dat fysieke schade die niet is gemeld en dus ook niet is beoordeeld, niet kan worden betrokken in de vaststelling en begroting van immateriële schade, omdat daarvan niet is vastgesteld dat die schade is ontstaan door gaswinning. Die schade kan daarom niet als aanwijzing voor een aantasting van de persoonlijke levenssfeer door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten dienen.
31.3.  Het betoog van [appellante] dat zij als huurder fysieke schade aan de woning niet zelf kan melden, leidt niet tot een ander oordeel. Het Instituut heeft op de zitting toegelicht dat het voorkomt dat woningcorporaties schades aan huurwoningen ‘opsparen’ en daarvan vervolgens één melding doen. Het Instituut kan langs deze weg mijnbouwschade bij de beoordeling van bouwsteen 3 (de omvang van de fysieke schade) en bouwsteen 4 (de duur van de procedure tot afhandeling van fysieke schade) betrekken. Wanneer een woningcorporatie fysieke schade pas later meldt en de huurder inmiddels is verhuisd - en dus ten tijde van de procedure tot afhandeling van de fysieke schade niet meer op het adres van de schademelding woonachtig was - kan de nadien uitgekeerde vergoeding voor fysieke schade niet meer binnen de gestandaardiseerde methode worden meewogen (zie artikel 4.5 van de regeling). Dat is wel mogelijk binnen een maatwerkprocedure als bedoeld in artikel 4.1a, tweede lid, van de regeling.
31.4.  Het betoog slaagt niet.
De ondergrens voor het aannemen van persoonsaantasting
32.     [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de in de regeling gehanteerde ondergrens om een persoonsaantasting aan te nemen niet in overeenstemming is met de rechtspraak van de burgerlijke rechter. Volgens [appellante] volgt uit de onder 9 genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 juli 2019 dat het enkel wonen in een gebied waar regelmatig aardbevingen voorkomen (bouwsteen 1) in combinatie met een persoonlijke verklaring van de benadeelde over de invloed die de bevingen op hem hebben gehad (de PIA), niet volstaat voor het aannemen van een persoonsaantasting. In haar geval is echter ook sprake van fysieke schade (bouwsteen 3). Bovendien is het zwaarste profiel van de PIA toegekend. De situatie waarin punten zijn toegekend voor twee verschillende bouwstenen in combinatie met het zwaarste profiel van de PIA zou volgens [appellante] moeten leiden tot het aannemen van een persoonsaantasting.
32.1.  De Afdeling is van oordeel dat het redelijk en aanvaardbaar is dat het Instituut een ondergrens hanteert voor het aannemen van een persoonsaantasting. Dit is ook in overeenstemming met de prejudiciële beslissing van 19 juli 2019 waarin de Hoge Raad onder 2.13.5 heeft geoordeeld dat voor het aannemen van een persoonsaantasting de enkele vaststelling dat de benadeelde woont in het gebied waar dikwijls aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben, niet volstaat. Vereist is dat de combinatie van omstandigheden tot de conclusie moet leiden dat de aard en de ernst van de normschending dusdanig is, dat de nadelige gevolgen daarvan zó voor de hand liggen dat een persoonsaantasting kan worden aangenomen. Anders dan [appellante] betoogt is het gegeven dat sprake is van fysieke schade aan de woning niet zonder meer steeds voldoende om hiervan uit te gaan.
32.2.  Het Instituut beoordeelt primair aan de hand van de bouwstenen of de aard en de ernst van de normschending dusdanig is, dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een persoonsaantasting kan worden aangenomen. In het geval van [appellante] heeft het Instituut vastgesteld dat haar woning aan de [locatie 3] in Eenrum ligt in het gebied waar in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2021 maximaal 2,72% waardedaling is opgetreden (1 punt voor bouwsteen 1). De fysieke schade aan de woning aan de [locatie 2] in Groningen als gevolg van gaswinning valt in de categorie € 1.000 - € 10.000 (1 punt bouwsteen 3). Het Instituut heeft in dit verband toegelicht dat vrijwel elke inwoner van het waardedalingsgebied met een woning met lichte fysieke schade de ondergrens zou halen als deze op twee punten zou worden gesteld. Dat het overgrote deel van de bewoners van de provincie Groningen in persoon zou zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het BW verdraagt zich niet met de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf.
32.3.  De Afdeling volgt niet het betoog van [appellante] dat op grond van de uitkomst van de PIA (profiel 4) toch tot een persoonsaantasting geconcludeerd moet worden. Het Instituut stelt primair op basis van de bouwstenen vast of er voldoende aanwijzingen bestaan om een persoonsaantasting aan te nemen. Voor een schadevergoeding bestaat alleen aanleiding als uit objectieve aanwijzingen blijkt van een zekere ernst van de situatie. De PIA kan slechts in beperkte mate iets toevoegen aan de ernst van de normschending. De PIA is een vragenlijst waarin de persoonlijke ervaring van verschillende emoties en gevoelens van de aanvrager centraal staan. Dit geeft een algemene inschatting van hoe een aanvrager zich voelt, maar vormt een onvoldoende objectieve aanwijzing voor persoonsaantasting. Dat bij een andere puntencombinatie de PIA wel wat kan toevoegen, komt omdat in die gevallen de aard en de ernst van de normschending waarvoor objectieve aanwijzingen bestaan groter is en het aannemelijk is dat in combinatie met de PIA het psychisch onbehagen dusdanig is dat de lat voor persoonsaantasting wordt gehaald. Wanneer er, zoals in het geval van [appellante], op basis van de bouwstenen onvoldoende aanwijzingen bestaan dat sprake is van een persoonsaantasting (minder dan 3 punten), kan het resultaat van de PIA, ook als het zwaarste profiel is ingeschat, dus niet leiden tot het alsnog aannemen van een persoonsaantasting in de gestandaardiseerde methode. Dat laat onverlet dat in het kader van de maatwerkprocedure dergelijke aanwijzingen alsnog kunnen blijken.
32.4.  Het betoog slaagt niet.
Persoonlijke omstandigheden
33.     [appellante] betoogt dat het Instituut haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen in het besluit om geen vergoeding voor immateriële schade toe te kennen. Zowel op de zitting bij de rechtbank als in de verklaring die zij op 11 juni 2026 bij de Afdeling heeft ingediend, heeft [appellante] toegelicht dat de aardbevingen een grote impact op haar hebben. Zij hoopte met de verhuizingen af te zijn van de aardbevingen, maar werd in de nieuwe woningen opnieuw met aardbevingen geconfronteerd. De stress en spanning als gevolg van de aardbevingen hebben ervoor gezorgd dat de chronische ziekte waaraan zij lijdt, is verergerd. Haar lichaam reageert steeds heftiger op de bevingen.
33.1.  Uit hetgeen onder 32.2 en 32.3 is overwogen, volgt dat voor toekenning van een schadevergoeding op basis van de gestandaardiseerde methode is vereist dat uit de objectieve aanwijzingen voor het aannemen van persoonsaantasting blijkt van een zekere ernst van de situatie en dat het PIA-profiel ten opzichte daarvan (sterk) hoger is. In het geval van [appellante] kan de combinatie van het puntenaantal op basis van de bouwstenen en de uitkomst van de PIA (profiel 4) niet tot schadevergoeding leiden.
33.2.  De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat de chronische ziekte waaraan zij lijdt door de spanningen als gevolg van de aardbevingen is verergerd, is niet buiten beschouwing gelaten. Deze omstandigheid behoort juist tot de persoonlijke omstandigheden die - omdat zij niet in de gestandaardiseerde methode zijn verdisconteerd - in een maatwerkprocedure kunnen worden beoordeeld. Om die reden heeft de rechtbank de zaak geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een maatwerkprocedure te doorlopen. Anders dan binnen de gestandaardiseerde methode, waarbij de aanvrager sterk wordt ontlast bij het onderbouwen van een persoonsaantasting, rust in de maatwerkprocedure de bewijslast voor het stellen en aannemelijk maken van omstandigheden die nopen tot afwijking van de gestandaardiseerde methode op de aanvrager. [appellante] heeft geen stukken van medisch behandelaren kunnen overleggen of andere gegevens waaruit van een verband blijkt tussen haar ziekte en het vóórkomen van aardbevingen. Daardoor ontbraken voldoende aanknopingspunten om het causaal verband door een medisch deskundige te laten beoordelen, waartoe het Instituut voornemens was over te gaan. Omdat de door [appellante] aangevoerde persoonlijke omstandigheden dus wel zijn onderkend en in het kader van een maatwerkprocedure konden worden beoordeeld, maar daarvoor onvoldoende onderbouwing beschikbaar was, bestaat er geen grond voor het oordeel dat het Instituut deze omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen.
33.3.  [appellante] heeft verder geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan het Instituut had moeten afwijken van de regeling (artikel 4:84 van Pro de Awb). Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het Instituut in afwijking van de uitkomst van de gestandaardiseerde methode een vergoeding voor immateriële schade had moeten toekennen
33.4.  Het betoog slaagt niet.
Conclusie
34.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
35.     Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Planken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
299-1160