ECLI:NL:RVS:2026:4226
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenrecht
Verzoeker heeft bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzocht om ambtshalve te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit verzoek is bij besluit van 30 augustus 2023 geweigerd. Vervolgens verklaarde de minister van Asiel en Migratie het bezwaar van verzoeker ongegrond op 4 april 2025. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 2 september 2025 het beroep van verzoeker tegen dit besluit eveneens ongegrond verklaard.
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 20 juli 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De voorzieningenrechter baseerde zijn beslissing op de aangevoerde omstandigheden en eerdere jurisprudentie, waarbij het belang van verzoeker om niet uitgezet te worden tijdens de procedure zwaarder woog. De uitspraak werd in het openbaar gedaan en ondertekend door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.