ECLI:NL:RVS:2026:4184

Raad van State

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.001140
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vw 2000Art. 8 lid 1 onder k Vw 2000Art. 8:54 lid 1 AwbDublinverordeningparagraaf B8/3.1 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht afgewezen

Betrokkene diende op 11 februari 2026 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie legde haar een vrijheidsontnemende maatregel op op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat er een geringste aanwijzing voor mensenhandel bestond, waardoor de maatregel onrechtmatig was vanaf 15 februari 2026.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de verklaring van betrokkene over haar reisbegeleider, een predikant uit Zuid-Afrika, onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van mensenhandel. Er ontbraken concrete aanwijzingen voor uitbuiting of een overeengekomen tegenprestatie.

Verder stelde betrokkene dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege haar medische situatie, maar de minister toonde aan dat adequate medische voorzieningen aanwezig zijn en betrokkene hiervan gebruikmaakt. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, maar wees het beroep alsnog af en verwierp het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.26.001140
Datum uitspraak: 17 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2026 in zaak nr. NL26.9822 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2026 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 5 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 15 februari 2026 bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
Betrokkene heeft op 11 februari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Bij besluit van 22 februari 2026 heeft de minister haar aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje daarvoor op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is.
Betrokkene heeft volgens het verslag van het aanmeldgehoor op 14 februari 2026 het volgende verklaard:
"Ik besefte toen ik hier aankwam, ik sprak toen een vrouw, ik denk van de immigratiedienst. Ze vroeg hoelang ik die predikant al kende. Ik zei dat ik bij hem was gekomen door de problemen in Zuid-Afrika. Ze vroeg of ik wist dat er ook mensenhandel bestond. Ik zei dat ik dat niet bedacht had en dat ik het op mijn leeftijd niet voor mogen hield. Ze zei dat ik altijd moest opletten op mensen die naar je toekomen en zeggen je te gaan helpen. Toen besefte ik dat het iemand was die misschien wilde dat als ik in Spanje aankwam dat ik iets met mijn lichaam moest doen of drugs moest verkopen. Dat vreet enorm aan mij, als wij in Spanje aankomen, wat zou er dan gebeuren. Ik had mijn vertrouwen aan mij gegeven. Hij is predikant."
Uit paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000 volgt dat de Koninklijke Marechaussee op grond van artikel 8, aanhef en onder k, van de Vw 2000 bij vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is, al bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel een bedenktijd van 30 dagen aanbiedt aan het vermoedelijke slachtoffer.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft geoordeeld dat in het geval van betrokkene de geringste aanwijzing voor mensenhandel bestaat en dat de minister betrokkene daarom overeenkomstig zijn beleid in paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000 30 dagen bedenktijd had moeten geven. De rechtbank heeft deze aanwijzing afgeleid uit de verklaring van betrokkene en heeft vervolgens geoordeeld dat het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is sinds 15 februari 2026.
Oordeel van de Afdeling
De minister klaagt in de enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat in het geval van betrokkene de geringste aanwijzing bestaat dat zij mogelijk het slachtoffer is geworden van mensenhandel. Dat betrokkene tijdens het gehoor bij aankomst in Nederland op 11 februari 2026 heeft verklaard dat zij bij haar reis naar Nederland is geholpen door een
Zuid-Afrikaanse predikant en dat zij hem niet heeft betaald voor deze reis, is op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat betrokkene mogelijk het slachtoffer is van mensenhandel. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de verklaring van betrokkene evenmin de geringste aanwijzing dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel. Uit haar verklaring volgt namelijk geen concrete aanwijzing dat sprake was van uitbuiting voor gewin door de genoemde predikant en dat een tegenprestatie was overeengekomen of is geëist voor het regelen van de reis of dat de predikant alsnog een tegenprestatie in enigerlei vorm van haar verlangt.
De grief slaagt.
In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie hoger beroep
Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
Betrokkene heeft op de zitting van de rechtbank aangevoerd dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, omdat zij medicijnen gebruikt tegen haar hoge bloeddruk en zij sinds de grensdetentie ten uitvoer wordt gelegd, maagklachten heeft.
De minister heeft in de vrijheidsontnemende maatregel vermeld dat er in het Justitieel Complex Schiphol voldoende medische voorzieningen aanwezig zijn. Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat betrokkene daar ook gebruik van maakt, gelet op haar verklaring op de zitting dat zij neusspray heeft gekregen van de medische dienst. Betrokkene legt verder niet uit waarom de aanwezige voorzieningen voor haar niet toereikend zijn. De minister heeft terecht niet volstaan met een lichter middel.
De beroepsgrond slaagt niet.
In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).
Conclusie beroep
Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2026 in zaak nr. NL26.9822;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
1179-347