ECLI:NL:RVS:2026:4138
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J. Hoekstra
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bevestigd en gematigd
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [appellante], een bedrijf dat aardbeien, asperges en frambozen verpakt, een bestuurlijke boete op wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). De boete betrof zowel bruto als netto onderbetaling van het minimumloon over de periode 1 juli tot en met 31 december 2019, vastgesteld na inspectie en administratief onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht een boete oplegde voor overtreding van artikel 13 Wmm Pro, maar onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van overtreding van artikel 7 lid 1 in Pro samenhang met artikel 13a Wmm. [Appellante] voerde in hoger beroep aan dat zij voldeed aan de voorwaarden voor inhouding van huisvestingskosten, maar kon geen schriftelijke huurovereenkomsten overleggen, waardoor de boete voor artikel 13 Wmm Pro terecht bleef.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister ten onrechte had vastgesteld dat [appellante] vier werknemers te weinig had betaald, omdat niet was aangetoond dat de nabetalingen na het kantooronderzoek niet als zodanig konden worden beschouwd. Hierdoor werd het beroep tegen het besluit van 9 augustus 2024 gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover het artikel 7 lid 1 en Pro artikel 13a Wmm betreft, en de boete vastgesteld op €3.562,50. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Boete wegens overtreding artikel 13 Wmm bevestigd, boete voor overtreding artikel 7 lid 1 en 13a Wmm vernietigd en boete vastgesteld op €3.562,50.