ECLI:NL:RVS:2026:4067
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten proceskostenvergoeding in machtiging voorlopig verblijf zaak
Appellanten hebben bij besluiten van 1 november 2022 een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar op 27 augustus 2024, verklaarde de rechtbank Den Haag op 5 februari 2025 het beroep van appellanten ongegrond.
Appellanten stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. In het hoger beroep werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte het gebrek in de ondertekening van het besluit had gepasseerd zonder de minister te veroordelen tot proceskostenvergoeding, hetgeen aanleiding gaf tot vernietiging van dat deel van het vonnis.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het overige oordeel van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten die appellanten in beroep en hoger beroep hebben gemaakt, ter hoogte van € 2.802,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze naliet de minister te veroordelen tot proceskostenvergoeding.