ECLI:NL:RVS:2026:4028
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- N. Verheij
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling land van doorreis bij terugkeer op basis van removal order in vreemdelingenrecht
Betrokkene, een Iraanse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 24 oktober 2024 bij aankomst in Nederland geweigerd vanwege het ontbreken van geldige reisdocumenten en in grensdetentie geplaatst. De minister van Asiel en Migratie legde een vrijheidsontnemende maatregel op en nam een aanvullend terugkeerbesluit waarin werd bepaald dat betrokkene naar Iran of Turkije moet terugkeren.
De rechtbank vernietigde dit aanvullend terugkeerbesluit en oordeelde dat Turkije niet als land van doorreis kon worden aangemerkt omdat geen overnameovereenkomst of regeling was vastgesteld die toelating tot Turkije garandeerde. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het Verdrag van Chicago, de Schengenuitvoeringsovereenkomst en Richtlijn 2001/51/EG niet als overnameovereenkomst gelden, maar dat Annex 9 van het Verdrag van Chicago als een 'andere regeling' kan worden aangemerkt. Deze regeling verplicht Turkije om personen die via haar grondgebied zijn gereisd te accepteren voor onderzoek naar toelating, waardoor Turkije als land van doorreis kan worden beschouwd.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en wijst de beroepen ongegrond. De vrijheidsontnemende maatregel wordt als rechtmatig beoordeeld en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de beroepen ongegrond.