ECLI:NL:RVS:2026:4027

Raad van State

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
202504768/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak vreemdelingenrecht

Verzoeker heeft bij brief van 26 februari 2024 verzocht om herziening van de uitspraak van 26 januari 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak in een vreemdelingenrechtelijke zaak.

De Afdeling overweegt dat herziening van een onherroepelijke uitspraak slechts mogelijk is op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die dateren van vóór de uitspraak en waarvan verzoeker pas ná de uitspraak kennis heeft genomen. Deze feiten of omstandigheden moeten bovendien tot een andere uitspraak kunnen leiden als zij tijdig bekend waren geweest.

Omdat de door verzoeker gestelde feiten dateren van ná de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, is er geen grond voor herziening. De Afdeling wijst het verzoek af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 10 juli 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen omdat de nieuwe feiten dateren van ná de uitspraak.

Uitspraak

202504768/1/V2.
Datum uitspraak: 10 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, in zaak nr. 202204586/1/V2, ECLI:NL:RVS:2023:336.
Procesverloop
Bij brief van 26 februari 2024 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om herziening van de uitspraak van 26 januari 2023 in zaak nr. 202204586/1/V2, ECLI:NL:RVS:2023:336.
Overwegingen
1.       De bestuursrechter kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. Alleen al omdat de door verzoeker gestelde feiten dateren van na de uitspraak waarvan verzoeker om herziening verzoekt, levert dit geen grond voor herziening van die uitspraak op.
2.       De Afdeling wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026
936