ECLI:NL:RVS:2026:3936

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
202500274/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6 Bouwbesluit 2012Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering invorderingsbeschikking na herstel keldermuur en afwijzing schadevergoeding redelijke termijn

De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om een verzoek om een invorderingsbeschikking af te wijzen. De kern van het geschil ligt in de vraag of de buurman binnen de gestelde termijn de last onder dwangsom, gericht op herstel van de keldermuur tussen twee panden, heeft nageleefd.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht heeft geweigerd tot invordering over te gaan, omdat de herstelwerkzaamheden volgens een memo van Royal Haskoning voldeden aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Appellant voerde aan dat de technische uitgangspunten in de memo onjuist waren, maar de Afdeling bevestigde dat het college een conservatieve en veilige benadering heeft gehanteerd en dat de versterkingsconstructie voldoet aan de wettelijke normen.

Daarnaast verzocht appellant om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden, maar dat deze procedure geen extra spanning of frustratie heeft veroorzaakt die schadevergoeding rechtvaardigt. Daarom werd het verzoek afgewezen.

De Afdeling bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd bepaald dat het college geen proceskosten aan appellant hoeft te vergoeden en dat er geen aanleiding is voor vergoeding van proceskosten aan de andere partijen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

202500274/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 25 november 2024 in zaak nr. 23/5425 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2022 heeft het college een verzoek van [appellant] om een invorderingsbeschikking te nemen afgewezen.
Bij besluit van 24 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing gehandhaafd. Dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 25 juli 2023 vernietigd en speelt geen rol meer in deze procedure.
Bij besluit van 30 november 2023 heeft het college nogmaals het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit aangevuld.
Bij uitspraak van 25 november 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 november 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Gellekom en mr. M. Snippe, vergezeld door B. Olsthoorn, M. van Ligten, mr. K. van Baaren en C. Heemskerk, is verschenen. Verder is op de zitting [partij A], bijgestaan door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding en voorgeschiedenis
1.       [appellant] is eigenaar van het pand [locatie 1] in Utrecht, dat grenst aan het pand [locatie 2] dat in eigendom is van [partij A] en [partij B]. In de afgelopen jaren is een juridische strijd ontstaan tussen de eigenaren en de gemeente en de eigenaren onderling. De oorsprong van dit conflict ligt voornamelijk in de bouwkundige staat van de panden en het daaruit voorvloeiende handhavend optreden door het college door middel van het opleggen van diverse lasten met betrekking tot de keldermuur tussen [locatie 1] en [locatie 2], en de door [appellant] gesloopte achtergevel van [locatie 1]. Naast deze procedure loopt er een grote hoeveelheid andere, veelal door [appellant] gestarte, procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen. Veel van deze procedures hangen met elkaar samen.
De Afdeling heeft de zaak op dezelfde dag op een zitting behandeld met zaken nrs. 202304005/1/R4, 202401101/1/R4, 202204378/1/R4, 202306418/1/R4, 202305714/1/R4, 202502500/1/R4, 202400249/1/R4, 202406744/1/R4 en 202405945/1/R4, en zal in elke zaak afzonderlijk uitspraak doen.
Waar gaat deze zaak over?
2.       Het college heeft bij besluit van 4 december 2019 aan [partij A] een last onder dwangsom opgelegd waarin [partij A] wordt opgedragen om binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit de werfkelder tussen de panden [locatie 2] en [locatie 3] in Utrecht in ieder geval tijdelijk te (laten) herstellen en hersteld te (laten) houden. Bij brief van 30 maart 2021 heeft het college [partij A] meegedeeld dat tijdens de controles op 17 februari 2021 en 26 februari 2021 is geconstateerd dat aan de last uit het besluit van 4 december 2019 is voldaan. Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het college terecht heeft geweigerd om tot invordering over te gaan, omdat volgens [appellant] de buurman niet binnen de begunstigingstermijn aan de opgelegde last onder dwangsom heeft voldaan.
Is de last nageleefd?
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, onder verwijzing naar de memo van Royal Haskoning van 3 september 2024 (de memo), heeft aangetoond dat de aangebrachte versterkingsconstructie onder de scheidingsmuur tussen [locatie 2] en [locatie 3] voldoet aan artikel 2.6 van het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit). Daartoe wijst [appellant] erop dat in het rapport van Strackee van 21 september 2020 niet staat dat de dikte van het gewelf minimaal 440 mm is, zodat dit ten onrechte als uitgangspunt is gebruikt in de memo. Verder is in de memo ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de krachten in de muur worden gehouden, omdat volgens [appellant] de krachten van de bovenliggende constructie naar de vloer worden afgedragen. Omdat de last niet is nageleefd, heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat het college terecht heeft geweigerd om tot invordering over te gaan.
3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op basis van de memo terecht op het standpunt heeft gesteld dat de scheidingsmuur tussen [locatie 2] en [locatie 3] met de daaronder aangebrachte versterkingsconstructie voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten. Het ontwerp voor de versterkingsconstructie in de memo is mede gebaseerd op het uitgangspunt uit het rapport van Strackee van 25 mei 2020 dat het gewelf dubbelsteens is en een dikte heeft van minimaal 440 mm. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de dikte van het gewelf visueel is vastgesteld, omdat boren in het keldergewelf om de dikte te meten onveilig werd geacht. De aanname van een dikte van 440 mm is daarmee een conservatieve benadering die ten grondslag ligt aan de berekeningen voor het versterkingsontwerp. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat in de memo bij het ontwerp voor de versterkingsconstructie uit mocht worden gegaan van het uitgangspunt dat het keldergewelf een dikte heeft van 440 mm. Overigens zijn bij de berekeningen aanzienlijke veiligheidsmarges gehanteerd. Het college heeft verduidelijkt dat zelfs als een conservatievere boogdikte van 330 mm was aangehouden, de aangebrachte versterkingsconstructie veilig zou zijn.
Verder heeft het college op de zitting toegelicht dat de krachten, anders dan [appellant] stelt, in de dikte van de muur worden opgevangen en via de muur verticaal naar de bodem worden afgevoerd waar het gewelf op rust.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de werfkelder met de versterkingsconstructie onder de scheidingsmuur tussen [locatie 2] en [locatie 3], die is aangebracht volgens het ontwerp uit de memo, is hersteld en voldoet aan artikel 2.6 van het Bouwbesluit. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat het college terecht heeft geweigerd om tot invordering over te gaan omdat binnen de begunstigingstermijn de opgelegde last is nageleefd.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
4.       [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals uit overweging 1 volgt, ligt de oorsprong van dit conflict in handhavend optreden dat onderdeel is van de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, onder overweging 17 en verder, waarin het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen, kan in deze procedure daarom worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Het is niet aannemelijk dat door deze procedure extra spanning en frustratie bij [appellant] is veroorzaakt. Gelet op het voorgaande wijst de Afdeling het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
6.       Het college hoeft geen proceskosten van [appellant] te vergoeden. Ten aanzien van [partij A] en [partij B] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
700-1096