ECLI:NL:RVS:2026:3895
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft bij besluit van 17 april 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Vervolgens heeft de minister dit besluit op 28 mei 2025 ingetrokken. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant tegen de afwijzing niet-ontvankelijk op 1 juli 2025.
Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, mede omdat de betreffende rechtsvraag reeds eerder door de Afdeling is beantwoord in een uitspraak van 20 mei 2025.
Ook bevat het hogerberoepschrift geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen. Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigt zij de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is bevestigd.