ECLI:NL:RVS:2026:3857
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens onterecht ontbreken verzoek internationale bescherming
Appellant werd op 19 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring op 2 december 2025 ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant ondubbelzinnig heeft verklaard geen verzoek om internationale bescherming te willen indienen, hetgeen door de rechtbank niet is onderkend. De minister stelde appellant onterecht in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000, terwijl dit alleen mogelijk is indien sprake is van een verzoek om internationale bescherming.
De bewaring was daarom vanaf het begin onrechtmatig. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en kent appellant een schadevergoeding toe. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van appellant was onrechtmatig en hij krijgt een schadevergoeding toegekend.