ECLI:NL:RVS:2026:3812

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202500252/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 AwbArt. 8:41a AwbArt. 8:60 AwbArt. 64 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan Armeens gezin wegens belangen kinderen

Betrokkenen, een Armeens gezin bestaande uit vader, moeder en drie kinderen, vroegen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met het belang van de kinderen en het BIC-rapport, waarin ernstige psychische problemen en de opgebouwde banden met Nederland werden beschreven.

De minister ging in hoger beroep, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de belangenafweging niet zorgvuldig en deugdelijk was gemotiveerd. De Afdeling benadrukte het belang van een 'fair balance' tussen het migratiebelang van Nederland en het privéleven van de kinderen, zoals vereist door artikel 8 EVRM Pro.

De Afdeling concludeerde dat uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn, waaronder de langdurige verblijfsduur, de identiteitsontwikkeling van de kinderen in Nederland en hun psychische problematiek. Daarom moet de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De minister wordt verplicht betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen vanwege de belangen van de kinderen en hun langdurige verblijf in Nederland.

Uitspraak

202500252/1/V1.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 december 2024 in zaak nr. 20/7738 in het geding tussen:
[betrokkene 1] (de hoofdpersoon), [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 13 oktober 2020 (het besluit op bezwaar) heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Betrokkenen hebben daarop op verzoek van de Afdeling gereageerd.
Betrokkenen hebben nadere stukken ingediend. De minister heeft daarop op verzoek van de Afdeling gereageerd.
De minister en betrokkenen hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Betrokkenen en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft deze zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, en betrokkenen, bijgestaan door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat in Dordrecht, zijn verschenen. Verder zijn mr. A.E. Zijlstra en mr. S. Pantelić, werkzaam bij het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht van de Rijksuniversiteit Groningen, aan de zijde van betrokkenen als deskundigen verschenen. Betrokkenen hebben in overeenstemming met artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tijdig meegedeeld dat die deskundigen ter zitting zouden verschijnen. De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202405347/1/V1 en 202400459/1/V1.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkenen zijn een vader en moeder en hun drie kinderen met de Armeense nationaliteit. De hoofdpersoon en haar zusje zijn geboren op [geboortedatum] 2003 en [geboortedatum] 2004 in Armenië. In 2014 zijn zij samen met hun ouders naar Nederland gekomen. In Nederland is op 4 april 2018 hun broertje geboren. In 2014, 2016 en 2017 hebben betrokkenen asielaanvragen ingediend die niet hebben geleid tot de door hen beoogde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de vader van 9 september 2015 tot 30 oktober 2015 uitstel van vertrek verleend krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000. In 2016 en 2018 heeft de vader opvolgende aanvragen ingediend voor uitstel van vertrek die niet hebben geleid tot dat door hem beoogde uitstel. De moeder heeft in 2015 tevergeefs verzocht om uitstel van vertrek. Op 22 februari 2019 heeft de hoofdpersoon een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling). De hoofdpersoon was toen 16 jaar. Die aanvraag geldt ook voor haar gezinsleden. De minister heeft de aanvraag afgewezen en die afwijzing in het besluit op bezwaar gehandhaafd.
2.       Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen voor het uitoefenen van hun privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM in Nederland, mede gelet op de belangen van de al langdurig in Nederland verblijvende kinderen. Daarbij gaat het om een situatie waarin al vaststaat dat de minister terecht aan betrokkenen heeft tegengeworpen dat zij niet voldoen aan het beleid in de Afsluitingsregeling en de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om van dat beleid af te wijken met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb.
2.1.    De Afdeling licht hierna toe wat de rechtbank heeft geoordeeld over de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM (onder 3). Daarna gaat de Afdeling in op het hoger beroep van de minister (onder 4 tot en met 5.5). De Afdeling geeft daarbij een uiteenzetting van het beoordelingskader in het licht van vaste rechtspraak van het EHRM en oordeelt dat de grieven van de minister niet slagen. Tot slot neemt de Afdeling een eindbeslissing over deze procedure met toepassing van artikel 8:41a van de Awb (onder 6 en 6.1). De Afdeling oordeelt dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent.
2.2.    De Afdeling toetst in deze zaak niet of uit de op haar verzoek ontvangen schriftelijke inlichtingen van de minister volgt dat hij het beginsel van non-refoulement in deze reguliere procedure heeft gewaarborgd in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892. Een actuele beoordeling van het risico op refoulement bij terugkeer naar Armenië is niet meer relevant, omdat betrokkenen zich niet in Armenië hoeven te vestigen, wanneer de minister hun ter uitvoering van deze uitspraak een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent.
De uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat een afweging tussen het belang van betrokkenen bij voortzetting van hun privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid in het nadeel van betrokkenen uitvalt. Volgens de rechtbank is de minister niet kenbaar ingegaan op alle relevante feiten en omstandigheden, met name gelet op informatie over de hoofdpersoon en haar ouders in een ‘Best Interests of the Child-Assessment’ van 7 februari 2024 (het BIC-rapport), dat de rechtbank heeft laten opstellen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het BIC-rapport zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De rechtbank heeft passages uit het BIC-rapport geciteerd. Daarin staat onder meer dat de hoofdpersoon last heeft van een depressieve stemmingsstoornis met angstige spanning en een ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis, haar lijdensdruk groot is en zij een disharmonisch intelligentieprofiel heeft. Daarnaast staat in het BIC-rapport dat de ouders van de hoofdpersoon al lange tijd depressieve klachten en angstklachten hebben, hun lijdensdruk groot is en de vader van de hoofdpersoon bekend is met posttraumatische stress en suïcidale gedachten.
Hoger beroep: privéleven in Nederland
Beoordelingskader
4.       Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de minister een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van een vreemdeling bij voortzetting van privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid (arrest van 31 januari 2006, Rodrigues Da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, paragraaf 39). De minister moet alle voor de belangenafweging relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling betrekken. Daarbij is een belangrijke overweging of een vreemdeling zijn privéleven in Nederland opbouwt, terwijl die vreemdeling zich ervan bewust is dat zijn verblijfsstatus maakt dat de voortzetting van zijn privéleven vanaf het begin onzeker is (arrest van 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, paragrafen 57, 58 en 60). Als dat het geval is, dan leidt afwijzing van een aanvraag van die vreemdeling om aan hem verblijf toe te staan alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
4.1.    Verder heeft het EHRM aangenomen dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid er in beginsel voor pleiten om het gedrag van ouders aan hun kinderen toe te rekenen, want anders bestaat een risico dat ouders de situatie van hun kinderen gebruiken (‘exploit’) om een verblijfsrecht voor zichzelf en hun kinderen te verzekeren (arrest van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709, paragraaf 79, en het arrest Pormes, paragraaf 57). Het feit dat een ouder zich ervan bewust was dat voortzetting van zijn privéleven in Nederland vanaf het begin van dat privéleven onzeker was, kan er dus door toerekening voor zorgen dat de afwijzing van de aanvraag van zijn kinderen alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van Pro het EVRM leidt, ook al waren die kinderen zich niet bewust van die situatie.
4.2.    Voor de beoordeling of zulke uitzonderlijke omstandigheden bestaan, acht het EHRM niet automatisch doorslaggevend dat een verdragsstaat het gedrag van een ouder mag toerekenen aan een kind (zie het arrest Butt, paragraaf 80). Ondanks die toerekening, kunnen individuele omstandigheden er namelijk voor pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van hun ouders te laten ondervinden en om daarom aan te nemen dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen (zie het arrest Butt, paragrafen 86 en 90). Daarbij kan gelet op het arrest Butt bijvoorbeeld van belang zijn dat niet langer een risico bestaat dat een ouder de situatie van zijn kind gebruikt voor een beoogd verblijfsrecht (zie het arrest Butt, paragraaf 80), welke banden kinderen hebben opgebouwd in een verdragsstaat en of zij daarbij wisten van hun onrechtmatig verblijf, in welke mate de autoriteiten van de verdragsstaat hebben gewerkt aan het vertrek van betrokkenen uit die verdragsstaat, wat de banden van de kinderen zijn met het land waarnaar zij volgens de verdragsstaat moeten terugkeren en wat de duur is van het verblijf in de verdragsstaat.
4.3.    Voor de beoordeling of uitzonderlijke omstandigheden bestaan, vindt het EHRM verder het belang van het kind relevant. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM, moet de minister in alle besluiten over kinderen aanzienlijk gewicht toekennen aan hun belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend zijn (arresten van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709, paragraaf 78, 24 juli 2014, Kaplan e.a. tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD003250411, paragrafen 88 en 98, en 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragraaf 109).
4.4.    Gelet op de specifieke omstandigheden van de verzoekers in het arrest Butt, volgt uit dat arrest op zichzelf niet in welke individuele gevallen de minister verplicht is om uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Uit dat arrest volgt wel dat de minister voor een ‘fair balance’ van de belangenafweging zorgvuldig moet onderzoeken en deugdelijk moet motiveren of zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen aan de hand van de door betrokkenen aangevoerde omstandigheden. De Afdeling toetst het oordeel van de rechtbank over de vraag of de minister zijn beoordeling op die wijze heeft gemaakt, aan de hand van de grieven van partijen in hoger beroep. De Afdeling ziet er bij die toets uitdrukkelijk op toe dat de minister heeft laten zien dat hij aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan het belang van het kind door rekening te houden met omstandigheden die ervoor kunnen pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van ouders te laten ondervinden. Het belang van het kind kan onder meer volgen uit de banden van een kind met Nederland. Gelet daarop volgt de Afdeling de minister niet langer in zijn standpunt dat door vreemdelingen aangevoerde omstandigheden over de banden van kinderen met Nederland weliswaar in hun voordeel wegen, maar deze omstandigheden toch niet doorslaggevend kunnen zijn voor de uitkomst van de belangenafweging om de enkele reden dat die kinderen deze banden hebben opgebouwd tijdens langdurig onrechtmatig verblijf.
Bespreking van de grieven van de minister
5.       In grief 1 klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat het BIC-rapport zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. In grief 2 klaagt de minister verder over het oordeel van de rechtbank dat hij niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. De minister voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij het BIC-rapport in zijn beoordeling heeft betrokken, voor zover dat rapport relevant is en zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
5.1.    De grieven van de minister slagen niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is een BIC-rapport gebaseerd op gedragswetenschappelijk onderzoek van een opsteller die deskundig is op dat gebied (uitspraak van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3606, onder 4.2). De rechtbank is terecht uitgegaan van de juistheid van de conclusies in het BIC-rapport, omdat de minister het BIC-rapport tevergeefs heeft weersproken en niet met een contra-expertise heeft weerlegd.
5.2.    De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat de minister niet in zijn belangenafweging heeft laten zien dat hij daarbij alle relevante omstandigheden heeft betrokken, waaronder de informatie over de belangen van de hoofdpersoon. De minister heeft in zijn belangenafweging namelijk in het algemeen gewezen op psychische problemen van de hoofdpersoon en haar ouders en eventuele ontwikkelingsschade voor de hoofdpersoon en vervolgens benoemd dat andere omstandigheden volgens hem in samenhang bezien zwaarder wegen voor de uitkomst van de belangenafweging. De minister is niet concreet ingegaan op de door de rechtbank aangehaalde passages in het BIC-rapport over de psychische problemen van de hoofdpersoon en haar ouders en ook niet op de leeftijd van de hoofdpersoon, voor zover uit haar leeftijd volgt dat zij zich als ouder kind in Nederland heeft ontwikkeld en wat dit voor haar als inmiddels meerderjarige jonge vrouw betekent, als zij zich moet aanpassen aan een leven in Armenië. Daarvoor volstaat niet dat de minister heeft genoemd dat de hoofpersoon in Armenië hulp kan inschakelen om ontwikkelingsschade te beperken en de minister op de zitting in hoger beroep heeft gezegd dat de psychische problemen en zorgbehoefte van de hoofdpersoon en haar ouders niet bijzonder zijn.
5.3.    Hoewel de minister verder terecht heeft gewezen op in het BIC-rapport benoemde omstandigheden die wijzen op veerkracht en kunnen helpen bij een voortzetting van het leven in Armenië, heeft de rechtbank er daarentegen terecht op gewezen dat de opsteller van het BIC-rapport in dat rapport en op de zitting in beroep heeft toegelicht dat zich ook omstandigheden voordoen die niet wijzen op veerkracht, zoals de disfunctionele copingstrategieën die de hoofdpersoon heeft ontwikkeld. Ook heeft de opsteller genoemd dat de hoofdpersoon gericht is op haar ouders en bij terugkeer naar Armenië naar verwachting niet of onvoldoende op haar ouders kan terugvallen gelet op hun ernstige psychische problematiek. De minister heeft het privéleven dat de hoofdpersoon in Nederland heeft opgebouwd in de belangenafweging betrokken om te beargumenteren dat de hoofdpersoon ook in Armenië in staat is om privéleven op te bouwen. De minister heeft echter nagelaten om in het voordeel van de hoofdpersoon in aanmerking te nemen dat aanzienlijk gewicht toekomt aan haar banden met Nederland door het privéleven dat zij hier heeft opgebouwd. De minister heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat aan de sterke banden van de hoofdpersoon met Nederland alleen al minder gewicht toekomt, omdat die banden inherent zijn aan haar onrechtmatig verblijf in Nederland.
5.4.    Voor zover de minister opmerkt dat niet valt in te zien dat betrokkenen zich onderscheiden van andere gezinnen voor wie het opbouwen van een leven in een ander land inspanningen vraagt en stress geeft, slaagt dit betoog niet. De minister bestrijdt namelijk niet de overweging van de rechtbank waarin zij heeft geoordeeld dat de situatie van betrokkenen anders is in vergelijking met de situatie van betrokkenen in andere zaken.
5.5.    Wat de minister verder aanvoert, behoeft geen bespreking, omdat uit het voorgaande al volgt dat de minister tevergeefs opkomt tegen het oordeel van de rechtbank. Ook roept het hoger beroep van de minister geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling herroept het besluit van 11 oktober 2019. De Afdeling oordeelt dat de minister in zijn belangenafweging niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd of uitzonderlijke omstandigheden bestaan gelet op de belangen van de kinderen en overige individuele omstandigheden. Hoewel het in beginsel aan de minister is om alsnog te beoordelen of hij betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen voor het uitoefenen van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, ziet de Afdeling in deze zaak aanleiding voor definitieve geschilbeslechting. Gelet op de verblijfsonzekerheid voor de kinderen vanaf het begin van deze procedure in 2019 en de voor hun ontwikkeling negatieve effecten van die onzekerheid, acht de Afdeling het namelijk nodig dat deze procedure tot een einde komt. Partijen hebben tijdens de zitting in hoger beroep desgevraagd geen bezwaren geuit tegen definitieve geschilbeslechting.
6.1.    De Afdeling heeft de overtuiging dat voor betrokkenen uitzonderlijke omstandigheden bestaan gelet op de belangen van de kinderen en de overige individuele omstandigheden in deze zaak. Daaronder valt onder meer dat de oudste kinderen, tijdens hun verblijf van twaalf jaar in Nederland, banden met Nederland hebben opgebouwd, zij gelet op hun leeftijd een mate van identiteitsontwikkeling hebben doorgemaakt in Nederland en het BIC-rapport informatie bevat over ernstige psychische problemen van de hoofdpersoon en haar beide ouders. De kinderen hebben de banden met Nederland in ieder geval opgebouwd door het volgen van onderwijs en hun sociale contacten. De Afdeling neemt gelet daarop aan dat een ‘fair balance’ van alle af te wegen relevante feiten en omstandigheden leidt tot een belangenafweging in het voordeel van betrokkenen. De Afdeling bepaalt dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent voor de uitoefening van hun privéleven in Nederland. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       herroept het besluit van 11 oktober 2019, V-[…], V-[…], V-[…], V-[…] en V-[…];
III.      bepaalt dat de minister van Asiel en Migratie betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent;
IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.       bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
958