ECLI:NL:RVS:2026:3738
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- V.V. Essenburg
- J. Luijendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige grensdetentie en toekenning schadevergoeding
Appellant kreeg bij besluit van 27 maart 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de minister de grensdetentie niet tijdig heeft opgeheven. Hoewel de rechtbank oordeelde dat de opheffing op 9 april 2026 had moeten plaatsvinden, werd deze pas op 10 april 2026 uitgevoerd. Dit leidde tot onrechtmatigheid vanaf 9 april 2026, omdat niet meer aan de vereisten voor grensdetentie werd voldaan.
De Afdeling volgt de rechtbank niet in de stelling dat de minister binnen 48 uur na afronding van het nader gehoor moet beslissen. Wel oordeelt zij dat de grensdetentie vanaf 9 april 2026 onrechtmatig was. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en appellant krijgt een schadevergoeding toegekend. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank, oordeelt dat de grensdetentie vanaf 9 april 2026 onrechtmatig was en kent schadevergoeding toe aan appellant.