ECLI:NL:RVS:2026:3735

Raad van State

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
BRS.25.000918
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico vervolging

Appellant heeft bij besluit van 12 november 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten, en dat de minister zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kan stellen dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. De rechtbank heeft dit onvoldoende onderkend, waardoor het hoger beroep gegrond is.

De Afdeling vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van de minister en verwijst de zaak terug voor een nieuw besluit waarbij rekening moet worden gehouden met de actuele feiten en omstandigheden. Verder is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van de minister tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.

Uitspraak

BRS.25.000918
Datum uitspraak: 30 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2025 in zaak nr. NL24.48150 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.J. Eizenga, advocaat in Amerongen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. Dat geldt ook voor vreemdelingen die deze overtuigingen in beginsel terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat hij loopt door zijn afvalligheid en atheïsme bij terugkeer naar Iran, slaagt.
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 12 november 2024. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vragen over de gewijzigde geloofwaardigheidsbeoordeling en het verlangen van terughoudendheid niet nodig zijn voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2025 in zaak nr. NL24.48150;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        vernietigt het besluit van 12 november 2024, [V…];
V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026
307-1113