ECLI:NL:RVS:2026:3719

Raad van State

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BRS.25.000402
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico vervolging

Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie op 5 februari 2025 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 10 april 2025. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde op 30 juni 2026 dat de rechtbank onvoldoende had onderzocht of appellant als afvallige en atheïst in Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft. Uit eerdere jurisprudentie bleek dat de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld geeft, waardoor nader onderzoek noodzakelijk is. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister werden vernietigd.

De minister moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met de actuele feiten en omstandigheden. Verder werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, die geheel toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit met inachtneming van nader onderzoek naar het risico op vervolging.

Uitspraak

BRS.25.000402
Datum uitspraak: 30 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 april 2025 in zaak nr. 25/3156 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door M.J. Baaij, rechtsbijstandverlener in Lisse, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat zij loopt door haar afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt. Dit betekent dat de tweede grief slaagt.
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 5 februari 2025. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 april 2025 in zaak nr. 25/3156;
I.        verklaart het beroep gegrond;
II.        vernietigt het besluit van 5 februari 2025, V-[...];
III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026
936-1127