De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek van appellant om het Nederlanderschap te verkrijgen af, omdat hij de identiteit en nationaliteit van appellant niet met de vereiste zekerheid kon vaststellen op basis van overgelegde documenten. Appellant was afkomstig uit Guinee en verbleef meer dan twintig jaar rechtmatig in Nederland. Hij overhandigde diverse documenten, waaronder een Guinees paspoort en uittreksels uit het register burgerlijke stand, die door Bureau Documenten (BD) werden onderzocht.
BD bracht meerdere verklaringen van onderzoek (vvo) uit, waarin werd geconcludeerd dat sommige documenten mogelijk niet bevoegd waren opgemaakt en dat het paspoort mogelijk frauduleus was verkregen. De staatssecretaris baseerde zijn besluit op deze vvo's en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat de staatssecretaris zijn vergewisplicht niet had nageleefd en onvoldoende had gemotiveerd waarom hij de conclusies van BD onderschreef. De Afdeling oordeelde dat de analyseformulieren van BD niet volledig controleerbaar en navolgbaar waren, omdat het referentiemateriaal niet duidelijk werd gemaakt. Hierdoor was de vergewisplicht niet voldoende nagekomen en was het besluit onvoldoende gemotiveerd.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen waarbij ook de overige overgelegde documenten worden betrokken en appellant moet worden gehoord. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van het Nederlanderschap wordt vernietigd wegens onvoldoende vergewisplicht en motivering, en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met hoorplicht.
Uitspraak
202405049/3/V6.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2024 in zaak nr. 23/5357 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2023 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.
Bij besluit van 30 juni 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
Op verzoek van de Afdeling heeft de minister van Asiel en Migratie de stukken overgelegd die ten grondslag liggen aan de verklaringen van onderzoek (hierna: vvo) van Bureau Documenten (hierna: BD) van 3 september 2020, 9 september 2022 en 18 november 2022 en de vergewisbrieven van Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (hierna: TOELT) van 19 september 2022 en 18 november 2022. De minister heeft krachtens artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) meegedeeld dat wegens gewichtige redenen alleen de Afdeling van bepaalde gedeelten ervan zal mogen kennisnemen. De geheimhoudingskamer van de Afdeling heeft beslist dat gewichtige redenen deze beperking van de kennisneming gedeeltelijk rechtvaardigen. Daarbij is bepaald dat de minister de stukken waarvoor de beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd is moet verstrekken aan de Afdeling en partijen, en de overige stukken waarvoor de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is moet verstrekken aan de Afdeling. De staatssecretaris en [appellant] hebben de Afdeling toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen. De Afdeling heeft de stukken vervolgens ingezien.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Roozdar, advocaat in Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, vergezeld door T.A.T. Meijerink, documentdeskundige bij BD, zijn verschenen. Als tolk was aanwezig P.A. Duijvekamp.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] stelt afkomstig te zijn uit Guinee en geboren te zijn op [geboortedatum] 1967. Hij verblijft meer dan twintig jaar rechtmatig in Nederland.
1.1. Op 23 september 2021 heeft [appellant] de staatssecretaris verzocht om hem het Nederlanderschap te verlenen. Bij het verzoek heeft hij een Guinees paspoort overgelegd met nummer O05001788, afgegeven op 13 januari 2021 en geldig tot en met 13 januari 2031. In een vvo van 9 september 2022 heeft BD geconcludeerd dat dit paspoort echt is. In deze vvo staat verder dat [appellant] eerder een Guinees uittreksel register burgerlijke stand heeft overgelegd met nummer 104, afgegeven op 15 januari 2020 en gelegaliseerd op 21 januari 2020, met bijbehorende Guinese rechterlijke uitspraak met nummer 3187, afgegeven op 19 juli 2018 en gelegaliseerd op 21 januari 2020. In een eerdere vvo van 3 september 2020 heeft BD over dat uittreksel en die uitspraak geconcludeerd dat de opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare referentiemateriaal en dat die documenten zeer wel mogelijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. In de vvo van 9 september 2022 staat verder dat als het paspoort is verkregen op basis van die documenten, dit paspoort dan zeer wel mogelijk frauduleus is verkregen. In deze vvo staat tot slot dat niet kan worden vastgesteld of dit paspoort inhoudelijk juist is. In een vergewisbrief van 19 september 2022 heeft TOELT geconcludeerd dat de vvo van 9 september 2022 inhoudelijk inzichtelijk is.
1.2. [appellant] heeft daarna een nieuw Guinees uittreksel register burgerlijke stand overgelegd met nummer 3315, afgegeven op 5 oktober 2022, met bijbehorende Guinese rechterlijke uitspraak met nummer 6190, afgegeven op 23 september 2022 en gelegaliseerd op 5 oktober 2022. In een vvo van 18 november 2022 heeft BD geconcludeerd dat de opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare referentiemateriaal en dat dit uittreksel en deze uitspraak zeer wel mogelijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. In een vergewisbrief van 18 november 2022 heeft TOELT geconcludeerd dat deze vvo inhoudelijk inzichtelijk is.
1.3. In het besluit van 7 februari 2023, gehandhaafd bij besluit van 30 juni 2023, heeft de staatssecretaris het verzoek afgewezen, omdat hij de identiteit en nationaliteit van [appellant] niet met de vereiste zekerheid kan vaststellen op basis van de door hem overgelegde documenten.
Heeft de staatssecretaris voldaan aan zijn vergewisplicht?
2. In de enige hogerberoepsgrond komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Volgens [appellant] mocht de staatssecretaris zijn standpunt dat hij de identiteit en nationaliteit niet met de vereiste zekerheid kan vaststellen, niet baseren op de conclusies van BD.
De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de conclusies van BD onderschrijft. Volgens [appellant] had de staatssecretaris duidelijk moeten maken op welke punten de overgelegde documenten afwijken van het beschikbare referentiemateriaal. [appellant] wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628, onder 4 tot en met 4.2.
Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat hij in bezwaar en beroep concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusies van BD naar voren heeft gebracht.
2.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is een advies van BD een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:444, onder 3.1). Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628, onder 4 tot en met 4.3, en ECLI:NL:RVS:2020:636, onder 3.1, mag de staatssecretaris er in beginsel van uitgaan dat een vvo van BD op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat neemt echter niet weg dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de staatssecretaris als bedoeld in artikel 3:2 vanPro de Awb meebrengt dat hij moet nagaan hoe BD tot zijn conclusies is gekomen.
Een situatie als hiervoor bedoeld doet zich voor als de conclusies van een vvo in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, maar ook als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. De staatssecretaris zal dan nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht, bijvoorbeeld door zelf de onderliggende stukken in te zien of BD nader te bevragen over de totstandkoming van de conclusies.
De staatssecretaris hoeft, gelet op de vaak zwaarwegende belangen die geheimhouding rechtvaardigen, de verkregen vertrouwelijke informatie vervolgens in de bestuurlijke fase niet met de betreffende verzoeker te delen. Hij moet die verzoeker wel gemotiveerd berichten of, en zo ja, in hoeverre hij de conclusies van BD onderschrijft nadat hij de onderliggende stukken heeft ingezien, of nadat hij nadere informatie bij BD heeft ingewonnen. Op grond daarvan kan de staatssecretaris besluiten een vvo geheel, gedeeltelijk of niet aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen. In de procedure bij de rechter kan de staatssecretaris een beroep doen op artikel 8:29 vanPro de Awb.
2.2. De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris de vvo van 3 september 2020, 9 september 2022 en 18 november 2022 van BD in het kader van zijn vergewisplicht heeft voorgelegd aan TOELT. In de vvo van 3 september 2020 en 18 november 2022, over de Guinese uittreksels register burgerlijke stand met bijbehorende Guinese rechterlijke uitspraken, staat dat de opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare referentiemateriaal. Tijdens de zitting heeft Meijerink toegelicht dat opmaak en afgifte bijvoorbeeld gaat over de stempels die zijn gebruikt, de bevoegdheid van de rechters die de uitspraak hebben gedaan en of alles volgens de procedurele regels is gegaan. De Afdeling constateert dat deze toelichting overeenkomt met paragraaf 7 van de Vakbijlage van BD, waarin staat dat opmaak en afgifte gaat over de methoden en technieken die gebruikt zijn voor de invulling van het document en alle waarmerken die op het document ter autorisatie zijn aangebracht, en dat ook de verkrijgingsprocedure van een document en de bevoegdheid van een ambtenaar hieronder vallen. Verder hebben de staatssecretaris en Meijerink toegelicht dat een onderzoeker van BD al zijn bevindingen vastlegt en uitwerkt in een analyseformulier. In dat formulier moet die onderzoeker alle negatieve bevindingen verantwoorden. Die onderzoeker legt daarbij ook uit waarnaar hij heeft gekeken en, zoals in dit geval, wat het referentiemateriaal is. Als de staatssecretaris een vvo van BD in het kader van zijn vergewisplicht voorlegt aan TOELT, dan krijgt de medewerker van TOELT volledig inzage in dat analyseformulier, maar niet in het referentiemateriaal zelf. Dit is een bewuste werkwijze. De staatssecretaris heeft desgevraagd bevestigd dat de analyseformulieren niettemin volledig controleerbaar en navolgbaar zijn.
2.3. De Afdeling heeft de onderliggende stukken van de vvo van 3 september 2020, 9 september 2022 en 18 november 2022 ingezien en is van oordeel dat de redenering van BD in die vvo en de daarin getrokken conclusies niet inzichtelijk zijn. In de analyseformulieren met volgnummers 268.982 en 577.512 hebben de onderzoekers van BD hun negatieve bevindingen namelijk niet verantwoord op de onder 2.2 beschreven wijze, omdat zij voor het doorslaggevende punt niet hebben uitgelegd wat het referentiemateriaal is. In paragraaf 8.2 van de Vakbijlage staat dat referentiemateriaal kan gaan over zowel documenten als autorisaties en legalisaties, en ook over andere door overheden verstrekte informatie. Uit deze analyseformulieren wordt echter niet duidelijk om wat voor soort referentiemateriaal het gaat. Deze analyseformulieren zijn daarom niet volledig controleerbaar en navolgbaar. Naar het oordeel van de Afdeling had dit gebrek naar voren moeten komen tijdens de inzage die medewerkers van TOELT hebben verkregen. Dat is niet gebeurd. Het voorgaande betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris aan de op hem rustende vergewisplicht heeft voldaan. De staatssecretaris heeft zijn standpunt dat hij de identiteit en nationaliteit niet met de vereiste zekerheid kan vaststellen, in dit geval dan ook ten onrechte gebaseerd op de conclusies van BD. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5321, onder 3.11.
2.4. Het betoog slaagt, alleen al om deze reden. De Afdeling zal daarom niet verder ingaan op het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in bezwaar en beroep concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusies van BD naar voren heeft gebracht.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 30 juni 2023. Het is niet nodig wat [appellant] verder in hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. De staatssecretaris zal namelijk een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar moeten nemen. Daarbij zal hij de andere documenten en bewijsstukken moeten betrekken die [appellant] in deze procedure in beroep en hoger beroep heeft overgelegd over zijn identiteit en nationaliteit. Ook zal hij [appellant] moeten horen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2024 in zaak nr. 23/5357;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 30 juni 2023, V-[…];
V. bepaalt dat tegen het door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.