ECLI:NL:RVS:2026:3699

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202402587/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens motiveringsgebrek

De minister van Asiel en Migratie wees op 18 maart 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af als kennelijk ongegrond. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 april 2024 het besluit vernietigde wegens een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het motiveringsgebrek kan eenvoudig worden hersteld in de nieuwe besluitvorming.

De Afdeling bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan de door betrokkene ingeschakelde rechtsbijstand. De uitspraak werd op 24 juni 2026 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202402587/1/V3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 april 2024 in zaak nr. NL24.12062 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen als kennelijk ongegrond.
Bij uitspraak van 18 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H. van der Linden, advocaat in Almelo, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, en mr. N. Verheij en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
918-1085