De burgemeester van Veendam sloot de woning van appellant A en haar zoon voor drie maanden vanwege de vondst van harddrugs en contant geld, en meldingen van drugshandel in de buurt. Dit was de tweede constatering binnen drie jaar, wat volgens het Damoclesbeleid sluiting rechtvaardigt.
Appellanten voerden onrechtmatig verkregen bewijs, schending van de onschuldpresumptie en onbevoegdheid van de burgemeester aan. De Afdeling oordeelde dat het bewijs bestuursrechtelijk toelaatbaar was, de sluitingsbevoegdheid niet afhankelijk is van strafrechtelijke schuldvaststelling, en dat de burgemeester bevoegd was gezien de hoeveelheid drugs en meldingen.
De noodzaak en evenwichtigheid van de sluiting werden getoetst. De Afdeling vond de sluiting passend en noodzakelijk om drugshandel te bestrijden en overlast te voorkomen, ondanks de nadelige gevolgen voor appellanten. De eerdere waarschuwing en gedragsaanwijzing versterkten de rechtvaardiging.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de woning voor drie maanden wegens drugshandel en overlast.
Uitspraak
202406633/1/A3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Veendam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 23 september 2024 in zaak nr. 23/372 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de burgemeester van Veendam.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2022 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] in Veendam voor drie maanden gesloten.
Bij besluit van 14 december 2022 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. M. Rotgans, advocaat in Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. L.A. Horlings, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] woonde samen met haar zoon [appellant B] in de woning aan de [locatie] in Veendam. Deze huurde zij van woningcorporatie Acantus. Op 19 januari 2021 heeft de politie in de woning netto 996,78 gram cocaïne en € 11.000,00 aan contant geld aangetroffen. De cocaïne en het geld zouden door de broer van [appellant A] op de zolder van de woning zijn verstopt. De burgemeester heeft toen besloten niet over te gaan tot de tijdelijke sluiting van de woning, onder de voorwaarde dat er drie jaar geen sprake is van herhaling van overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Hij heeft wel een officiële waarschuwing gegeven, inhoudende dat bij een volgende constatering van overtredingen die verband houden met teelt, gebruik, verstrekking en/of handel in soft- en/of harddrugs op een adres in de gemeente Veendam, hij van zijn bevoegdheid gebruik zal maken handhavend op te treden. Daarnaast is de verhuurder van de woning, woningcorporatie Acantus, met [appellant A] een gedragsaanwijzing overeengekomen, onder meer inhoudende dat haar broer haar woning niet mag betreden.
2. Op 2 februari 2022 heeft de politie de woning doorzocht in het kader van een onderzoek naar de broer van [appellant A]. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van meerdere (anonieme) meldingen over drugshandel door deze broer. Uit het onderzoek is gebleken dat het voertuig waar hij gebruik van maakt veelvuldig geparkeerd stond in de directe omgeving van de [locatie] in Veendam. Tijdens de doorzoeking van de woning is een zakje met netto 3,35 gram cocaïne gevonden in de slaapkamer van [appellant B].
Wat heeft de burgemeester besloten?
3. De burgemeester heeft bij besluit van 13 juli 2022 besloten om de woning voor drie maanden te sluiten. Omdat de aangetroffen hoeveelheid meer is dan 0,5 gram, acht de burgemeester het aannemelijk dat er sprake is van handel in harddrugs. Daarnaast hebben zowel de politie als de burgemeester meldingen ontvangen over drugshandel in de buurt van de woning. Er is sprake van loop, waarbij kopers, gebruikers of dealers zich bij de woning en in de omgeving begeven. Deze bellen per ongeluk bij omwonenden aan voor ‘handel’. Omwonenden geven aan zich onveilig en geïntimideerd te voelen. Naast de loop brengt ook het aan- en afrijdende verkeer overlast met zich. Verder gaat het om de tweede constatering van harddrugs in de woning binnen drie jaar. Vanwege de kans op recidive, en om verplaatsing van handel naar de omgeving te voorkomen, vindt de burgemeester een tijdelijke sluiting van de woning passend. Het Damoclesbeleid Gemeente Veendam bepaalt dat bij de tweede constatering van het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs, de woning wordt gesloten voor maximaal twaalf maanden. Gelet op wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd in hun zienswijze over de evenredigheid van de sluiting, heeft de burgemeester de duur van de sluiting bijgesteld naar drie maanden.
Het hoger beroep
Toetsingskader
4. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten beschreven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling zal deze uitgangspunten hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
Onrechtmatig verkregen bewijs
5. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, omdat de doorzoeking van de woning onrechtmatig was. Uit de bestuurlijke rapportage volgt namelijk alleen dat de broer van [appellant A] handelt in drugs en dat zijn auto in de directe omgeving van de woning stond. Dit betekent echter niet dat [appellant A] en [appellant B] handelden in drugs, of dat er vanuit de woning drugs werden verhandeld. Dat er een schriftelijke machtiging tot doorzoeking van de woning was, betekent nog niet dat die machtiging terecht is afgegeven. Nu er sprake is van schending van grondrechten, is het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs ook bestuursrechtelijk ontoelaatbaar.
5.1. Deze procedure is een procedure waarbij strafrechtelijke bewijsregels niet gelden. Voor zover al sprake zou zijn van (strafrechtelijk) onrechtmatig verkregen bewijs, wat daar ook van zij, is het gebruik daarvan volgens vaste rechtspraak slechts dan niet toegestaan als het bewijs is verkregen op een wijze die zodanig indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar wordt geacht. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3265, r.o. 6.2. Van zo’n situatie is geen sprake.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Schending van de onschuldpresumptie
6. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat sluiting van de woning in strijd is met de onschuldpresumptie. [appellant A] is namelijk op 1 februari 2024 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van de 3,35 gram cocaïne. De strafrechter heeft niet wettig en overtuigend bewezen geacht dat [appellant A] wetenschap had van de aanwezigheid van de in haar woning aangetroffen drugs en om die reden evenmin dat zij daarover beschikkingsmacht had. De overweging van de rechtbank, dat van het ontbreken van iedere betrokkenheid van [appellant A] bij de overtreding geen sprake zou zijn, is ook een schending van de onschuldpresumptie.
6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1315, r.o. 5.2), is van schending van de onschuldpresumptie sprake als een uiting een oordeel weergeeft omtrent de schuld van iemand die is aangeklaagd voor het plegen van een strafbaar feit voordat de schuld van die persoon in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan.
6.2. De burgemeester heeft in zijn besluit geen oordeel gegeven over de schuld van [appellant A] en [appellant B]. De aanleiding voor het sluiten van de woning was het aantreffen van harddrugs in het pand. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1251, r.o. 5.5, heeft de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester volgens artikel 13b van de Opiumwet betrekking op de feitelijke situatie in het pand, de voorwerpen en/of de stoffen die daar zijn aangetroffen en vereist de uitoefening van die bevoegdheid een bestuurlijke beoordeling. Omdat voor het sluiten van het pand niet is vereist dat de schuld van [appellant A] en [appellant B] wordt vastgesteld, is ook geen sprake van het schenden van de onschuldpresumptie. De rechtbank heeft dit terecht overwogen.
6.3. De rechtbank heeft verder overwogen dat het weliswaar zo kan zijn geweest dat [appellant A] geen weet had van de aanwezigheid van de harddrugs in de woning, maar dat van haar verlangd mag worden dat ze toezicht uitoefent op wat er in de woning gebeurt. Daarbij geldt dat, gelet op de waarschuwing en de gedragsaanwijzing die [appellant A] in 2021 heeft ontvangen, van haar extra oplettendheid mocht worden verwacht als het gaat om drugs in haar woning. Van het ontbreken van iedere betrokkenheid van [appellant A] is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. Uit deze overwegingen volgt naar het oordeel van de Afdeling geen oordeel over de schuld van [appellant A] aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank heeft de onschuldpresumptie dan ook niet geschonden.
6.4. Het betoog slaagt niet.
Bevoegdheid van de burgemeester
7. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de burgemeester niet bevoegd was de woning te sluiten. Er is volgens hen geen sprake van recidive. Zij hadden geen weet van de drugs die in de woning zijn aangetroffen, en voeren aan dat de drugs een restant zijn van de drugs die tijdens de eerste doorzoeking zijn aangetroffen. Bovendien is het onder jongeren steeds normaler om drugs te gebruiken. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de aangetroffen hoeveelheid niet voor eigen gebruik is.
7.1. De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
7.2. De aangetroffen hoeveelheid harddrugs overschrijdt de als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheid van 0,5 g bijna zeven keer. De burgemeester mocht daarom in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hoewel er geen andere voorwerpen in de woning aangetroffen zijn die wijzen op drugshandel, volgt uit de anonieme meldingen wel dat er loop zou zijn naar de woning. Daarnaast is het betoog van [appellant A] en [appellant B], dat de cocaïne bestemd zou zijn voor eigen gebruik, niet consistent en overtuigend. Zij hebben immers ook verklaard dat de cocaïne een restant zou zijn van de in januari 2021 aangetroffen cocaïne. Dit spreekt elkaar tegen. Bovendien volgt uit de bestuurlijke rapportage dat het niet aannemelijk is dat de cocaïne een restant zou zijn van die eerdere doorzoeking. Uit de verklaring van de hondengeleider volgt namelijk dat de slaapkamer van [appellant B] op 19 januari 2021 is doorzocht door de drugshond. In de slaapkamer lagen meerdere nek/heuptasjes waar de hond op aansloeg. Hierin is geen drugs aangetroffen, maar er heeft vermoedelijk wel drugs ingezeten. Daarna is de slaapkamer doorzocht door verbalisanten en is er geen drugs meer aangetroffen. Gelet op het voorgaande was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten.
7.3. Het betoog slaagt niet.
Gebruikmaken van de bevoegdheid
8. Als de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om in een concreet geval op te treden met een last onder bestuursdwang en hij overweegt om een woning te sluiten, zal hij moeten beoordelen of dat in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Wanneer hij daarvoor beleid heeft geformuleerd, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Nu de beroepsgronden daartoe geen aanleiding geven zal de geschiktheid van de sluiting van de woning niet worden getoetst.
- Noodzaak
9. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat sluiting van de woning niet noodzakelijk was. Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat er vanuit de woning drugs werd verhandeld. [appellant A] en [appellant B] hebben de anonieme meldingen waaruit dat zou volgen betwist, en hebben verklaringen van buurtbewoners overgelegd waaruit blijkt dat geen sprake was van overlast. Verder zijn er geen observaties van verbalisanten die aantonen dat er loop was naar de woning. Ook is er slechts een kleine hoeveelheid drugs aangetroffen en geen drugsgerelateerde attributen. Bovendien hebben [appellant A] en [appellant B] geen strafrechtelijke antecedenten met betrekking tot de Opiumwet.
9.1. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. In de hiervoor genoemde uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling verschillende omstandigheden genoemd die van belang zijn bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang.
9.2. De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat hij, gelet op de beoogde doelen, niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning heeft kunnen volstaan. In de periode van 30 april 2020 tot en met 26 april 2022 zijn er verschillende (anonieme) meldingen gedaan bij de politie en de gemeente. Volgens die meldingen zijn leden van de familie [appellant A] actief in de drugshandel en maken zij daarbij onder meer gebruik van de woning aan de [locatie]. Er rijdt veel autoverkeer af en aan bij de woning. [appellant A] zou opvallend vaak korte rondjes lopen met de hond en daarbij op straat dure auto’s treffen voor een praatje en een transactie. Ook zouden er wekelijks personen met sporttassen de woning in en uitgaan. Volgens een melding van een omwonende bellen kopers per abuis bij haar aan met de vraag of ‘handel’ of ‘spul’ te krijgen is. De omwonende durft uit angst voor represailles geen aangifte te doen. Ook een andere melder wil alleen anoniem verklaren en is bang voor represailles, omdat [appellant A] omwonenden soms intimiderend aanspreekt. Hoewel uit de bestuurlijke rapportage niet volgt dat verbalisanten loop naar de woning hebben waargenomen, mocht de burgemeester naar het oordeel van de Afdeling uit de meldingen afleiden dat de woning bekend stond als drugspand. Uit de meldingen volgt ook dat er overlast en gevoelens van onveiligheid in de omgeving waren. Tot slot is de woning eerder betrokken geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en is er dus sprake van een situatie van herhaling. Ondanks de eerder gegeven waarschuwing van de burgemeester en de tussen [appellant A] en de verhuurder overeengekomen gedragsaanwijzing, is er een tweede keer drugs aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden was het sluiten van de woning noodzakelijk om de bekendheid van de woning in het criminele drugscircuit te doorbreken en de handel daadwerkelijk en structureel te beëindigen. De door [appellant A] en [appellant B] ingebrachte verklaringen van buurtbewoners waarin staat dat zij geen overlast hebben ervaren, leiden niet tot een ander oordeel.
9.3. Het betoog slaagt niet.
- Evenwichtigheid
10. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de sluiting niet evenwichtig is. Uit het vonnis van de strafrechter van 1 februari 2024 volgt dat [appellant A] geen wetenschap van de drugs had en ook geen beschikkingsmacht daarover had. Daarmee staat vast dat haar geen verwijt kan worden gemaakt. Daarnaast heeft [appellant A] wel degelijk toezicht gehouden in haar woning, en heeft zij alle controles met de verhuurder van de woning goed doorstaan. Er waren geen drugsattributen en haar zoon had ook niet meerdere telefoons, zoals in andere zaken het geval was. Zij had dus geen reden om de slaapkamer van haar zoon iedere week grondig te doorzoeken, en dat kan ook niet van haar verwacht worden. Tot slot heeft de rechtbank onvoldoende meegewogen dat [appellant A] en [appellant B] door de woningsluiting hun huurwoning zijn kwijtgeraakt. [appellant B] was net meerderjarig. Hij volgt EMDR-therapie als gevolg van een auto-ongeluk in 2021. [appellant A] werkte destijds als mantelzorger en vrijwilliger en volgde een studie. Daarnaast heeft [appellant A] spanningsklachten als gevolg van de doorzoeking in januari 2021 en de daaropvolgende kortdurende detentie. Zij hadden dan ook binding met de woning en de wijk, aldus [appellant A] en [appellant B].
10.1. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 vanPro het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt. In de hiervoor genoemde uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling verschillende omstandigheden genoemd die van belang zijn bij de beoordeling van de evenwichtigheid.
10.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van [appellant A] als hoofdbewoner verlangd mag worden dat zij toezicht uitoefent op wat er in de woning gebeurt. Ondanks de vrijspraak in het strafrechtelijk traject, betekent dit niet dat haar geen enkel verwijt van de (bestuursrechtelijke) overtreding kan worden gemaakt. [appellant A] heeft willens en wetens een risico genomen op ingrijpende gevolgen voor het gebruik van de woning in geval van ontdekking. [appellant A] en [appellant B] hebben verder aangevoerd dat zij wegens psychische klachten en vanwege werk en studie gebonden zijn aan de woning en omgeving. Uit deze argumenten volgt echter nog niet dat zij gebonden zijn aan deze specifieke woning en dat de sluiting daarvan hen daardoor in het bijzonder treft.
10.3. Gelet op het voorgaande zijn de nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zoals de burgemeester die aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. De burgemeester heeft de woning daarom voor drie maanden mogen sluiten.
10.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
12. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.