ECLI:NL:RVS:2026:3675
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over uitleg begrip verdieping in bestemmingsplan Breda
Het college van burgemeester en wethouders van Breda legde aan de eigenaar van een pand een last onder dwangsom op omdat het bestemmingsplan wonen op de begane grond niet toestaat. De eigenaar betwistte dit en stelde dat hij op de entresol woont, wat volgens hem een verdieping is. De rechtbank oordeelde dat het begrip 'verdieping' niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd en sloot aan bij het algemeen spraakgebruik, waarbij de etage voor wonen als verdieping wordt beschouwd. Het college ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling toetste het oordeel van de rechtbank en vond dat het college onvoldoende had toegelicht waarom het oordeel onjuist zou zijn. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd bepaald dat het college griffierecht moet betalen en geen proceskosten vergoed krijgt.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het algemeen spraakgebruik bij de uitleg van niet-gedefinieerde begrippen in bestemmingsplannen en bevestigt de rechtsgeldigheid van de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Breda wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.