202300106/1/R1.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Heiloo,
2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend in Heiloo,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 november 2022 in zaak nr. 21/4029 in het geding tussen:
[appellant sub 1] en [persoon A], wonend in Heiloo,
en
het college van burgemeester en wethouders van Heiloo.
Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2021 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het bouwproject en het gebruik van een tweede uitweg op het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 1] in Heiloo, afgewezen.
Bij besluit van 9 augustus 2021 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en [persoon A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 1] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven over het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2].
[appellant sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 december 2025, waar [appellant sub 1], vergezeld door [persoon B], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. M.A. de Boer, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door T. van Hooff, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 22 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2] in Heiloo. Aan de [locatie 1] woont [appellant sub 2]. Het perceel van [appellant sub 2] bestaat uit twee kadastrale percelen, A8240 en A8241 die in een U-vorm om het perceel van [appellant sub 1] liggen. De woning van [appellant sub 2] bevindt zich, vanaf de Zanderslootweg gezien, rechts van de woning van [appellant sub 1] op perceel A8240. Dit perceel heeft een L-vorm en spreidt zich uit achter het perceel van [appellant sub 1], waar het aansluit op perceel A8241. Op dat laatste perceel is de tweede uitweg gerealiseerd die aan de linkerkant van de woning van [appellant sub 1] weer aansluit op de Zanderslootweg.
Bij besluit van 18 december 2019 heeft het college aan [appellant sub 2] op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de bestaande woning van [appellant sub 2]. Deze vergunning is bij uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3290) onherroepelijk geworden. Bij brief van 22 september 2020 heeft [appellant sub 1], onder andere, verzocht om handhaving tegen de bouw van een uitbouw aan de zijkant van de woning (de zijuitbouw) van [appellant sub 2].
Met het besluit van 25 februari 2021 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden. Volgens het college is de zijuitbouw vergunningsvrij gebouwd en niet in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand.
[appellant sub 1] is het niet eens met dit besluit en heeft om die reden bezwaar gemaakt en beroep en hoger beroep ingesteld.
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Splitsing woning
4. [appellant sub 1] stelt dat de woning van [appellant sub 2] in feite is gesplitst in twee woningen, zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. De rechtbank is hier volgens [appellant sub 1] ten onrechte niet op ingegaan.
4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5759), kan de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geding. In het handhavingsverzoek gaat [appellant sub 1] niet in op de dubbele bewoning van de woning. De rechtbank heeft dit punt daarom terecht niet inhoudelijk besproken. Vergunningvrij?
5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de zijuitbouw vergunningvrij is gebouwd, omdat volgens hem niet voldaan wordt aan de eisen van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, aanhef en onder f, aanhef en onder 3°, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat niet de woning waarvoor in 1995 een vergunning is verleend het oorspronkelijke hoofdgebouw is, maar de woning waarvoor in 1924 een vergunning is verleend. Subsidiair betoogt [appellant sub 1] dat het achterste gedeelte van de woning geen onderdeel is van het oorspronkelijke hoofdgebouw. Verder hebben het college en de rechtbank de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken te laag vastgesteld, aldus [appellant sub 1].
5.1. [appellant sub 2] betoogt in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank weliswaar terecht heeft geoordeeld dat de zijuitbouw vergunningvrij is gebouwd, maar dat de rechtbank de oppervlakte van het achtererfgebied te laag heeft vastgesteld. Daarmee zijn de vergunningsvrije mogelijkheden, na de bouw van de zijuitbouw, groter dan de rechtbank heeft vastgesteld. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat er (voorafgaand aan de bouw van de aanbouw) 20,5 m2 vergunningvrij kon worden gebouwd.
5.2. De Afdeling zal eerst vaststellen wat het oorspronkelijk hoofdgebouw is, vervolgens zal de Afdeling vaststellen of het college en de rechtbank de oppervlakte van het achtererfgebied op de juiste wijze hebben bepaald. Tot slot zal de Afdeling beoordelen of het college op de juiste wijze heeft berekend hoeveel vierkante meters vergunningvrij gebouwd konden worden, voorafgaand aan de bouw van de zijuitbouw.
5.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is volgens de nota van toelichting op het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 136) het oorspronkelijk hoofdgebouw in de zin van deze regeling het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 11 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2122), onder 5.1. In 1924 is een vergunning verleend voor de bouw van een woning. Deze woning is in de jaren daarna meermalen verbouwd en uitgebouwd. Op 2 juli 1995 is een vergunning verleend voor de sloop van de oude woning en de bouw van een andere, nieuwe woning op hetzelfde perceel. Het overgrote deel van de bestaande woning is gesloopt, slechts het achterste gedeelte is verbouwd in plaats van nieuw gebouwd. De Afdeling oordeelt dat door de verlening van de vergunning en de daaropvolgende ingrijpende werkzaamheden een nieuw oorspronkelijk hoofdgebouw is ontstaan.
Hoewel het achterste gedeelte niet nieuw gebouwd is, maar slechts verbouwd, is dit gedeelte ook onderdeel van het nieuwe oorspronkelijk hoofdgebouw. Dat gedeelte was namelijk integraal onderdeel van het bouwplan behorende bij de vergunning van 2 juli 1995.
Dit betekent dat de woning zoals die is gebouwd op grond van de vergunning van 2 juli 1995, inclusief het achterste gedeelte, het oorspronkelijk hoofdgebouw is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college van het juiste oorspronkelijk hoofdgebouw is uitgegaan.
Het betoog van [appellant sub 1] slaagt in zoverre niet.
5.4. Het college heeft bij de bepaling van de oppervlakte van het achtererfgebied alleen het gedeelte van het perceel betrokken dat de bestemming "Wonen - 2" heeft. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, is de rest van het perceel, met de bestemming "Tuin", geen onderdeel van het erf, als gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Gelet op de afstand tussen dat gedeelte van het perceel en het hoofdgebouw, die oploopt tot ongeveer 120 m, is dat gedeelte niet direct gelegen bij het hoofdgebouw. Omdat het gedeelte van het perceel met de bestemming "Tuin" geen onderdeel is van het erf, heeft het college dat gedeelte terecht niet meegenomen bij de vaststelling van de oppervlakte van het achtererfgebied. De rechtbank is terecht niet tot een ander oordeel gekomen.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
5.5. Het college heeft berekend dat het achtererfgebied samen met de grond onder het hoofdgebouw ongeveer 918 m2 is. Na aftrek van de oppervlakte van het oorspronkelijke hoofdgebouw komt het college daardoor uit op een bebouwingsgebied van 779,5 m2. Om vergunningvrij te kunnen bouwen op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor mag, gelet op de aanhef en onder f, aanhef en onder 3°, van dat artikelonderdeel, de oppervlakte van al dan niet met een vergunning gebouwde bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer bedragen dan 90 m2 plus 10% van het bebouwingsgebied boven de 300 m2. Dat is 137,95 m2.
In beroep heeft [appellant sub 2] een opsomming gegeven van de vergunningvrij gebouwde bouwwerken op zijn perceel en de afmetingen daarvan. Op de zitting bij de rechtbank hebben het college en [appellant sub 1] aangegeven uit te gaan van de juistheid van die afmetingen. Daarmee heeft de rechtbank de totale oppervlakte van de al vergunningvrij gebouwde bouwwerken vastgesteld op 117,45 m2. Uitgaande van die berekening mocht voorafgaand aan de bouw van de zijuitbouw nog (137,95-117,45=) 20,5 m2 vergunningvrij gebouwd worden. Omdat niet in geschil is dat de zijuitbouw 20 m2 groot is, heeft de rechtbank geoordeeld dat de zijuitbouw vergunningvrij is gebouwd. In het enkele overleggen van een lijst met bouwwerken en oppervlakten door [appellant sub 1], ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de zijuitbouw vergunningvrij is gebouwd. Daarbij overweegt de Afdeling dat deze lijst niet duidelijk is. De lijst gebruikt namelijk onduidelijke benamingen, bevat onderdelen van het oorspronkelijke hoofdgebouw en lijkt oppervlaktes dubbel te tellen.
Het betoog van [appellant sub 1] slaagt ook in zoverre niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Brink, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Brink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
776-1069
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Besluit omgevingsrecht
Bijlage II
Artikel 1
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;
[…]
bebouwingsgebied: achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
[…]
erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;
hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
[…]
.
Artikel 2
Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
[…]
3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
[…]
f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:
[…]
3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,
[…]