ECLI:NL:RVS:2026:3584

Raad van State

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
202502489/1/V2.
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico vervolging

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 15 januari 2025 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten, ook niet voor vreemdelingen die hun overtuigingen terughoudend uiten. De minister heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar het risico op vervolging, waardoor het standpunt dat appellant geen gegronde vrees heeft voor vervolging niet kan worden gehandhaafd.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en het besluit van de minister, en beveelt dat de minister een nieuw besluit neemt rekening houdend met de actuele feiten en omstandigheden. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

202502489/1/V2.
Datum uitspraak: 22 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 april 2025 in zaak nr. NL25.3034 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Koelman, en vervolgens door mr. M. Gavami, beiden advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. Dat geldt ook voor vreemdelingen die deze overtuigingen in beginsel terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat zij loopt door haar afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 15 januari 2025. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over het verlangen van terughoudendheid niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
3.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 april 2025 in zaak nr. NL25.3034;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 15 januari 2025, V-…;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026
551-1108