ECLI:NL:RVS:2026:350

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202403618/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over tegemoetkoming in planschade na verlening omgevingsvergunning voor hotelherbouw

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 april 2024. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Veere een tegemoetkoming in planschade van € 26.800,00 aan [partij] had toegekend, na advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). [appellant] betwistte de status van [partij] als erfpachter en stelde dat de waardevermindering van de onroerende zaak aan [locatie] haar niet raakte. De rechtbank oordeelde dat [partij] op de peildatum zakelijk gerechtigd was tot het perceel en dat de hoogte van de tegemoetkoming in planschade in stand bleef, ondanks de bezwaren van [appellant]. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat het college zich voldoende had vergewist van de erfpachtstatus van [partij]. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank de adviezen van de STAB en SAOZ op zorgvuldige wijze had gewogen en dat de gronden van [appellant] in hoger beroep niet opgingen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en het college werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

202403618/1/A2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Domburg, gemeente Veere,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 23 april 2024 in zaak nr. 20/8089 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Veere.
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2020 heeft het college aan [partij] een tegemoetkoming in planschade van € 29.000,00 toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij besluit van 8 juli 2020, als gewijzigd bij besluit van 13 oktober 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en de aan [partij] toegekende tegemoetkoming in planschade op € 26.800,00 bepaald.
Bij uitspraak van 23 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 8 juli 2020 en 13 oktober 2020 ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.H.U. Keizer, advocaat in Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door J.E. Joosen en G. Roovers, via videoverbinding zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft op 14 juli 2015 een omgevingsvergunning gekregen voor het herbouwen van hotel De Tien Torens aan de Duinweg 36 in Zoutelande. [partij] heeft het college verzocht om tegemoetkoming in planschade als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning. Volgens [partij] is haar recht van erfpacht op [locatie] als gevolg van de omgevingsvergunning in waarde verminderd. Het college heeft, na advies te hebben ingewonnen bij Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), besloten tot het toekennen van een tegemoetkoming in planschade van € 26.800,00 aan [partij].
De rechtbank heeft in de tussenbeslissing van 15 december 2022 geoordeeld dat het advies van de SAOZ, voor wat betreft de planvergelijking, het vastgestelde schadebedrag en het normaal maatschappelijk risico, niet aan het besluit van het college ten grondslag mocht worden gelegd. De rechtbank heeft Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de STAB) benoemd als deskundige. De STAB heeft op 6 juni 2023 een verslag uitgebracht. Volgens de STAB is een tegemoetkoming in planschade van € 36.840,00 passend, waarbij zij heeft uiteengezet dat een deel van de schade, gelijk aan 4% van de waarde van het perceel van [partij] onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning, onder het normaal maatschappelijke risico valt. De rechtbank heeft geen reden gezien om het STAB-verslag niet aan haar oordeel ten grondslag te leggen en heeft haar uitspraak daarop gebaseerd. De hoogte van de door het college toegekende tegemoetkoming van € 26.800,00 heeft de rechtbank echter in stand gelaten, omdat [appellant] door het instellen van beroep niet in een nadeligere positie terecht mag komen. Dit volgt uit het zogenoemde verbod op ‘reformatio in peius’.
2.       [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat [partij] geen erfpachter was, maar een gebruiker dan wel dat zij slechts een gebruiksrecht had. De waardevermindering van de onroerende zaak aan de [locatie] raakt haar volgens [appellant] dan ook niet. Het college en de rechtbank zijn ervan uitgegaan dat [partij] een erfpachtrecht had op [locatie] en op het moment van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning kon worden aangemerkt als zakelijk gerechtigde ten aanzien van de onroerende zaak aan de [locatie]. Verder is [appellant] het niet eens met de vaststelling van de waardevermindering en de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico. In hoger beroep zijn deze drie punten, die in de beslissing van 15 december 2022 en de uitspraak van 23 april 2024 zijn besproken, aan de orde.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3.       Op 1 januari 2024 is de Wro ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.18 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4.       De door [partij] in de aanvraag aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Toetsingskader
5.       In de overzichtsuitspraak in planschadezaken van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen.
6.       Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager door de planologische wijziging in een nadeliger positie is gekomen en schade lijdt of zal lijden. Hiertoe moet het bestuursorgaan een vergelijking maken tussen het nieuwe en het daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of deze planologische mogelijkheden zijn benut.
7.       De datum waarop het gestelde schadeveroorzakende besluit in werking is getreden, is de peildatum voor het antwoord op de vraag of door een onherroepelijk geworden besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro, schade is geleden.
8.       Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
9.       Op de aanvrager rust de bewijslast, als hij een op een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige gebaseerd oordeel van het bestuursorgaan over het bestaan van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro, de omvang van de schade en/of het oorzakelijk verband tussen de gestelde schadeveroorzakende planologische wijziging en de gestelde schade bestrijdt.
10.     Op grond van artikel 8:47 van de Awb kan de bestuursrechter een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek. Dat kan hij bijvoorbeeld doen wanneer, op basis van de door een partij aangevoerde concrete aanknopingspunten voor twijfel, gegronde twijfel bestaat over de juistheid van het advies dat het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. De bestuursrechter mag in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
Beoordeling van het hoger beroep van [appellant]
11.     [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [partij] op de peildatum, namelijk 26 augustus 2015, zakelijk gerechtigd was tot het perceel [locatie]. [appellant] voert hiertoe aan dat het Waterschap na het eindigen van het recht van erfpacht op 31 december 2010 met [partij] heeft gesproken over een nieuwe erfpachtovereenkomst en dat deze gesprekken pas in 2019 hebben geleid tot een nieuwe erfpachtovereenkomst. Bovendien staat in de eerder getekende vaststellingsovereenkomst dat [partij] over de periode van 1 januari 2011 tot 1 juni 2019 een vergoeding voor het gebruik aan het Waterschap verschuldigd was. De term gebruiksvergoeding bevestigt dat het recht van erfpacht op 31 december 2010 geëindigd was.
11.1.  De Afdeling is van oordeel dat het college zich er voldoende van heeft vergewist dat [partij] op de peildatum van 26 augustus 2015 in een zakenrechtelijke relatie stond tot de [locatie]. Het heeft daarbij het vonnis van de rechtbank Middelburg van 1 juli 2015 in aanmerking genomen dat is gewezen in een civielrechtelijke procedure tussen het Waterschap Scheldestromen en [partij]. Dit vonnis is ook door de SAOZ en de STAB bij hun adviezen is betrokken. In dat vonnis is de rechtbank ervan uitgegaan dat de erfpacht na 31 december 2010 is verlengd. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat het Waterschap een beroep op het geëindigd zijn van de erfpacht niet toekomt. Verder is van belang dat voor het college geen aanleiding bestond om aan te nemen dat het vonnis niet onherroepelijk was geworden. [appellant] heeft op de zitting nog verwezen naar het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:837. In dat arrest, dat betrekking heeft op een zaak van een andere erfpachter, heeft het Hof een ander vonnis van de rechtbank Middelburg van 1 juli 2015 vernietigd. Op de zitting heeft [appellant] bevestigd dat ervan uitgegaan moet worden dat in de zaak van [partij] geen hoger beroep is ingesteld en dat het vonnis van 1 juli 2015 in die zaak onherroepelijk is geworden. Aan die verwijzing komt daarom in deze zaak geen betekenis toe. Het betoog slaagt niet.
12.     De gronden die [appellant] in hoger beroep voor het overige heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4. tot en met 6. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt het volgende nog daaraan toe. De rechtbank heeft in haar tussenbeslissing van 15 december 2022 een algehele opdracht aan de STAB gegeven. In de onderzoeksopdracht zijn geen beperkingen met betrekking tot het normaal maatschappelijk risico of anderszins opgenomen. Overweging 8.8 in de tussenbeslissing van de rechtbank van 15 december 2022 is geen bindend eindoordeel. In overweging 4.7 van haar uitspraak van 23 april 2024 motiveert de rechtbank waarom zij de conclusie van de STAB dat het normaal maatschappelijk risico op 4% moet worden vastgesteld volgt. De Afdeling bevestigt dat oordeel.
Conclusie
13.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
14.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
594