AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen gedeeltelijke openbaarmaking documenten MFA Zwammerdam onder Wob en Woo
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn om documenten openbaar te maken over de Multifunctionele Accommodatie (MFA) aan de Spoorlaan in Zwammerdam over de periode van 27 februari 2020 tot 16 februari 2021 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het college maakte documenten gedeeltelijk openbaar met toepassing van uitzonderingsgronden uit artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en e van de Wob. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het college over het bezwaar, met name vanwege onvoldoende motivering van de zoekslag en onvolledigheid van documenten over de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH).
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college terecht alleen documenten verstrekte die betrekking hebben op het Wob-verzoek en dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde afdelingen niet bij de zoekslag zijn betrokken. De Afdeling bevestigt dat het college bedragen onleesbaar mocht maken in verband met bescherming van economische en financiële belangen. Wel oordeelt de Afdeling dat het college de zoekslag naar documenten in e-mailboxen van voormalige sleutelfiguren nog niet volledig heeft afgerond en draagt het college op dit alsnog te doen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank over proceskosten, bevestigt de rest van de uitspraak, verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten. Het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond, vernietiging deel uitspraak rechtbank over proceskosten, nieuw besluit openbaarmaking binnen zes weken.
Uitspraak
202406610/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Zwammerdam, gemeente Alphen aan den Rijn,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 september 2024 in zaak nr. 21/7017 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2021 heeft het college naar aanleiding van het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.
Bij besluit van 30 september 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering.
Bij uitspraak van 23 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit beroep ingesteld bij de Afdeling.
Bij besluit van 20 december 2024 heeft het college meer documenten openbaar gemaakt.
[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 20 december 2024.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door F. van der Tempel, rechtsbijstandverlener in Zwammerdam, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft het college op 16 februari 2021 op grond van de Wob verzocht om documenten openbaar te maken over - kort gezegd - de Multifunctionele Accommodatie (MFA) aan de Spoorlaan in Zwammerdam in in de periode van 27 februari 2020 tot 16 februari 2021. Het college heeft bij het besluit van 14 april 2021 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgronden in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en onder e, van de Wob. Het college heeft dit bij het besluit van 30 september 2021, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de door hem verrichte zoekslag is uitgevoerd. Ook is de zoekslag onvolledig gebleken voor wat betreft documenten over de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH). Het besluit van 30 september 2021 is in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het komt de rechtbank wel geloofwaardig voor dat er niet meer documenten zijn dan de documenten die openbaar zijn gemaakt. Ook heeft het college mogen besluiten tot het in de documenten onleesbaar maken van geldbedragen. De rechtbank heeft het besluit van 30 september 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Wettelijk kader
3. De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op 30 september 2021, dus voor 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Wob nog van toepassing is. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1699, onder 1.2.
Reikwijdte van het verzoek
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in zijn Wob-verzoek heeft gevraagd om documenten over de reconstructie van de Spoorlaan in zijn geheel. Daarmee heeft de rechtbank evenals het college de reikwijdte van het Wob-verzoek te beperkt opgevat.
5.1. De Afdeling onderschrijft het in overweging 7.1 van de uitspraak van de rechtbank neergelegde oordeel dat er overlap bestaat tussen het project reconstructie Spoorlaan en het project MFA maar dat de reconstructie van de Spoorlaan in zijn geheel als zodanig niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek valt. [appellant] heeft namelijk alleen verzocht om deze stukken voor zover het de MFA betreft. Het college heeft dan ook terecht alleen documenten verstrekt die betrekking hebben op het Wob-verzoek van [appellant].
5.2. Het betoog slaagt niet.
Overzichten van de ODMH
6. [appellant] betoogt verder dat het college meer overzichten had moeten opvragen bij de ODMH. Volgens [appellant] heeft het college nagelaten de ODMH te vragen welke overzichten van verrichte werkzaamheden er zijn.
6.1. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank het college heeft opgedragen de overzichten van de ODMH op te vragen en te betrekken bij het nieuwe door het college te nemen besluit op bezwaar. De Afdeling ziet niet wat de rechtbank anders had moeten doen in haar uitspraak, nu zij datgene heeft gedaan wat [appellant] met zijn beroep beoogde. Het betoog van [appellant] kan dan ook nergens toe leiden.
Documenten bij de afdelingen Financiën, Onderwijs en Sociaal Domein
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ook documenten had moeten opvragen bij de afdelingen Financiën, Onderwijs en Sociaal Domein.
7.1. De Afdeling kan zich vinden in de overwegingen 8.3 tot en met 8.5 van de uitspraak van de rechtbank. Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom deze afdelingen niet bij de zoekslag zijn betrokken. Alle documenten die bij de verschillende afdelingen zijn gevonden op basis van de gebruikte zoektermen, zoals "MFA", zijn verstrekt. Het is aannemelijk dat niet nog meer documenten aanwezig zijn. Voor wat betreft de afdeling Sociaal Domein heeft het college voldoende gemotiveerd dat deze afdeling geen betrokkenheid heeft bij het project MFA en daarom geen documenten beschikbaar zijn die vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek.
7.2. Het betoog slaagt niet.
Inventarislijst
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een inventarislijst vereist is waarop alle documenten die het college openbaar maakt staan vermeld.
8.1. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld kent de Wob geen verplichting tot het vervaardigen van documenten, dus ook niet tot het maken van een inventarislijst. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2276. Wel vereist het zorgvuldigheidsbeginsel dat het college bij de verstrekking van openbaargemaakte stukken duidelijk maakt wat het heeft verstrekt. Het college heeft bij het besluit van 14 april 2021 een index gevoegd, waarmee het college aan dit vereiste heeft voldaan.
8.2. Het betoog slaagt niet.
Onleesbaar gemaakte bedragen
9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in de documenten bedragen onleesbaar mocht maken. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223, ten grondslag gelegd aan haar oordeel. In die uitspraak heeft de Afdeling namelijk geoordeeld dat het college bedragen niet onleesbaar mocht maken.
9.1. Anders dan [appellant] stelt gaat het in dit geval niet om gegevens die niet onder de bescherming van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob vallen. Het college heeft informatie die verband houdt met grondtransacties en aanbesteding van publieke werken niet openbaar gemaakt. Deze informatie valt onder het gedeelte waarover de Afdeling in haar uitspraak van 26 april 2022 heeft geoordeeld dat in dat geval de economische dan wel financiële belangen van het college zwaarder wegen dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
9.2. Het betoog slaagt niet.
Proceskosten
10. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank een te lage proceskostenvergoeding heeft uitgesproken. De rechtbank heeft op 9 april 2024 het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen. [appellant] heeft vervolgens van de gelegenheid gebruik gemaakt hier een reactie op te geven. Volgens [appellant] heeft hij aanspraak op een vergoeding hiervoor.
10.1. De Afdeling is van oordeel dat dit processtuk een kostensoort is die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank had dan ook aanvullend 0,5 punt aan proceskostenvergoeding moeten toekennen.
10.2. Het betoog slaagt.
Tussenconclusie hoger beroep
11. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd, voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige.
Beroep niet tijdig beslissen
12. [appellant] heeft beroep ingesteld omdat het college niet binnen zes weken na de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op het bezwaar heeft genomen. Nu het college op 20 december 2024 alsnog een besluit heeft genomen, is het procesbelang van [appellant] daarbij komen te vervallen. De Afdeling zal het beroep tegen het niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk verklaren. Omdat [appellant] wel terecht een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingediend zal de Afdeling het college veroordelen in de door [appellant] gemaakte proceskosten ten aanzien van dit beroep. De Afdeling zal hierna het beroep tegen het besluit van 20 december 2024 inhoudelijk beoordelen.
Beroep tegen het besluit van 20 december 2024
13. In het besluit van 20 december 2024 heeft het college te kennen gegeven dat het een nieuwe zoekslag heeft verricht en bij dit besluit heeft het meer documenten openbaar gemaakt. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 vanPro de Algemene wet bestuursrecht gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Op het nieuwe besluit is de Woo van toepassing.
14. [appellant] betoogt dat het college heeft nagelaten een overzicht van de gevonden documenten in het besluit op te nemen. Ook betoogt [appellant] dat het college inzichtelijk had moeten maken welke documenten niet onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen, hoeveel documenten dat waren en wat de inhoud van die documenten is.
14.1. Net als onder de Wob bestaat er op grond van de Woo geen verplichting voor een bestuursorgaan om informatie te vervaardigen die niet in al bestaande documenten is vastgelegd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1066. Het college hoeft om die reden dan ook niet uit te werken welke documenten niet onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen en hoeft niet aan te geven wat de inhoud van die documenten is. Overigens heeft het college bij het besluit wel een inventarislijst toegevoegd.
14.2. Het betoog slaagt in zoverre niet.
15. [appellant] betoogt dat op de datum van het besluit de zoekslag door het college nog niet was afgerond en daarom documenten van voormalig bestuurders ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt.
15.1. De Afdeling stelt vast dat het college in het besluit van 20 december 2024 heeft opgenomen dat bij de IT-afdeling een verzoek is uitgezet om e-mailboxen van voormalig wethouders te doorzoeken en dat deze documenten bij het besluit zijn verstrekt. Het besluit vermeldt verder dat over de zoekslag naar documenten in e-mailboxen van voormalige sleutelfiguren nog nader zal worden bericht. Dit is tot op heden nog niet gebeurd. Dat betekent dat met het besluit van 20 december 2024 onvolledige uitvoering is gegeven aan de opdracht van de rechtbank. Het college moet, zoals aangekondigd in het besluit, alsnog een zoekslag verrichten naar documenten in e-mailboxen van voormalige sleutelfiguren. [appellant] heeft op de zitting de namen [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] genoemd. De Afdeling kan, nu het college niet op de zitting is verschenen, niet overzien of deze personen tot de voormalige sleutelfiguren behoren waar het college op doelt.
15.2. Het beroep is gegrond.
Conclusie
16. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd, voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is
niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 20 december 2024 is gegrond. De Afdeling zal het college opdragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat is opgenomen onder 15.1. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bepaalt de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
17. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 september 2024 in zaak nr. 21/7017, voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn gegrond;
VI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn op om uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
VII. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep, het beroep tegen het niet tijdig beslissen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.522,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
735-1104
BIJLAGE
Wet open overheid
Artikel 10
(…)
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
(…)
b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
(…)
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;