Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3434

Raad van State

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
202505250/1/V2.
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico vervolging

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluiten van 23 en 29 april 2025 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat uit de landeninformatie over Iran een eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. De minister had nader onderzoek moeten verrichten naar het risico op vervolging van appellant vanwege haar afvalligheid. Dit verweer van appellant slaagt, waardoor het hoger beroep gegrond is.

De Afdeling vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van de minister en verwijst de zaak terug voor een nieuw besluit waarbij rekening moet worden gehouden met de actuele feiten en omstandigheden. Verder veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.

Uitspraak

202505250/1/V2.
Datum uitspraak: 15 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 september 2025 in zaak nr. NL25.19604 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2025, aangevuld bij besluit van 29 april 2025, heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 19 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Taheri, advocaat in Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat zij loopt door haar afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt. Dit betekent dat de eerste grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 23 april 2025, aangevuld bij besluit van 29 april 2025. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 september 2025 in zaak nr. NL25.19604;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 23 april 2025, aangevuld bij besluit van 29 april 2025, V-[...];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026
936-1127