202405304/1/A2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2024 in zaak nr. 22/4850 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Procesverloop
Bij brief van 10 mei 2022 heeft de minister aan [appellant] medegedeeld dat hij geen aanleiding ziet om een eerder verleende voorlopige investeringsverklaring in te trekken
Bij besluit van 29 augustus 2022 heeft de minister, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2022 vernietigd, het door [appellant] tegen de brief van 10 mei 2022 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 29 augustus 2022, de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,00 en de minister veroordeeld in de proceskosten van € 33,80.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 oktober 2025. De minister, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels, heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
1. [appellant] is huurder van een woning in de woonwijk Jerusalem in Nijmegen. De stichting Talis is eigenaar van deze woning.
2. Op grond van artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw) wordt van Talis een belasting, de verhuurderheffing, geheven. Op grond van artikel 1.10 van de Wmw kan Talis een vermindering van de verhuurderheffing krijgen ter stimulering van investeringen in maatschappelijk urgente opgaven. Hiervoor kan de minister een investeringsverklaring verlenen.
3. Bij besluit van 22 juni 2020 heeft de minister aan Talis een voorlopige investeringsverklaring verleend ten behoeve van werkzaamheden aan 220 woningen in de wijk Jerusalem in Nijmegen, waaronder de door [appellant] gehuurde woning. Het voorlopige bedrag van de heffingsvermindering is € 5.500.000.
4. Bij brief van 21 maart 2022 heeft [appellant] de minister verzocht om het besluit van 22 juni 2020 in te trekken. Bij brief van 10 mei 2022 heeft de minister dat verzoek afgewezen. Volgens deze brief is [appellant] geen belanghebbende bij het besluit van 22 juni 2020. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het tegen de brief van 10 mei 2022 gemaakte bezwaar heeft de minister eveneens ten grondslag gelegd dat [appellant] geen belanghebbende is.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is [appellant] geen belanghebbende bij de voorlopige investeringsbeslissing van 22 juni 2020, maar is hij wel belanghebbende bij de beslissing van 10 mei 2022. De minister heeft het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De minister had dat bezwaar ongegrond moeten verklaren.
6. In hoger beroep betoogt [appellant] dat hij belanghebbende is bij de door de minister aan Talis verleende voorlopige investeringsverklaring. Hij voert aan dat dit volgt uit artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij zou niet door Talis onder druk zijn gezet om de gasaansluiting in zijn woning te laten verwijderen als Talis geen vermindering van de verhuurderheffing had ontvangen. Hij verwijst verder naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1497. Anders dan het geval was in de zaak die tot die uitspraak heeft geleid, heeft Talis nooit een andere beslissing hoeven te nemen om zijn woning gasloos te maken, waartegen hij rechtsbescherming had kunnen zoeken. Omdat nadere besluitvorming is uitgebleven, is hij, ook volgens de rechtspraak van de Afdeling, belanghebbende bij de voorlopige investeringsverklaring, aldus [appellant]. 6.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij een besluit, is volgens vaste rechtspraak belanghebbende als bedoeld in deze bepaling. Zie bijvoorbeeld de door [appellant] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022.
6.2. Het belang van [appellant], in zijn hoedanigheid van huurder van een woning van Talis, is niet rechtstreeks betrokken bij het besluit tot het verstrekken van een voorlopige investeringsverklaring die het mogelijk maakt dat Talis een vermindering van de verhuurderheffing kan krijgen ter stimulering van investeringen in maatschappelijk urgente opgaven. Naar het oordeel van de Afdeling is er onvoldoende oorzakelijk verband tussen de door [appellant] gestelde gevolgen van het besluit en zijn belangen.
6.3. Omdat het belang van [appellant] niet rechtstreeks is betrokken bij het besluit tot het verstrekken van een voorlopige investeringsverklaring aan Talis, komt de Afdeling niet toe aan beoordeling van het betoog van [appellant] dat hij daarbij een persoonlijk belang heeft.
6.4. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht overwogen dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 22 juni 2020.
Het betoog slaagt niet.
7. De Afdeling beoordeelt ambtshalve of de brief van 10 mei 2022 - een schriftelijke afwijzing van een verzoek van een niet-belanghebbende om een besluit in te trekken - een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb (Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 10, blz. 29-30) volgt dat een schriftelijke afwijzing van een verzoek van een niet-belanghebbende om een besluit te nemen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 22 juni 2020. Hij is dus ook geen belanghebbende bij zijn verzoek om dit besluit in te trekken en kan tegen de afwijzing van dit verzoek geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden. Dat betekent dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen, behoudens voor zover de Staat der Nederlanden daarbij is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 500,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op overweging 7 van deze uitspraak, het door [appellant] tegen het besluit van 29 augustus 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaren.
9. Gelet op deze uitkomst is en was er geen aanleiding voor de minister om proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2024 in zaak nr. 22/4850, behoudens voor zover de Staat der Nederlanden daarbij is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 500,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn;
III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
452-1175