ECLI:NL:RVS:2026:3388
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J.Th. Drop
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep tegen bewaring asielzoeker
Appellant werd op 30 maart 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zijn asielaanvraag op 30 maart 2026 had ingetrokken, terwijl het dossier een latere datum vermeldde.
De Afdeling bestuursrechtspraak constateerde dat de rechtbank in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, Awb had gehandeld door uitspraak te doen zonder appellant te wijzen op zijn recht op een nadere zitting. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Vervolgens beoordeelde de Afdeling het beroep inhoudelijk aan de hand van de door appellant in hoger beroep aangevoerde feiten.
Uit nadere informatie van de minister bleek dat appellant pas op 3 april 2026 bij de Dienst Terugkeer en Vertrek had verklaard zijn asielaanvraag te willen intrekken, en tijdens een gehoor op 7 april 2026 had verklaard dit toch niet te willen. Er was geen bewijs dat appellant dit al op 30 maart 2026 had gedaan. De Afdeling achtte de bewaring daarom niet onrechtmatig en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.