Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3369

Raad van State

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
202501890/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sluiting woning wegens drugsgerelateerde activiteiten ondanks tijdsverloop

De burgemeester van Rotterdam besloot op 25 januari 2024 tot sluiting van een woning voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, vanwege de vondst van methamfetamine, amfetamine-olie, een wapen en munitie in de woning, en de aanwezigheid van personen met antecedenten op het gebied van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De woning werd in verband gebracht met een ripdeal in een nabijgelegen wijk.

De burgemeester verklaarde het bezwaar van de huurder, appellante, ongegrond en de rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit. Appellante stelde in hoger beroep dat de burgemeester feitelijk was teruggekomen op het besluit door de sluiting niet te effectueren vanwege tijdsverloop, en dat het besluit daarom herroepen had moeten worden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat tijdsverloop kan maken dat sluiting niet langer geschikt is, maar dat de burgemeester bij het besluit op bezwaar heeft beoordeeld dat sluiting niet meer geëffectueerd zou worden vanwege tijdsverloop. Dit is een feitelijke handeling zonder rechtsgevolg en betekent niet dat het primaire besluit onrechtmatig was. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de geschiktheid en noodzaak van sluiting bij tijdsverloop, maar bevestigt dat het primaire besluit tot sluiting op zichzelf rechtmatig was. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de woning ondanks het feit dat de burgemeester de feitelijke sluiting niet heeft uitgevoerd vanwege tijdsverloop.

Uitspraak

202501890/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025 in zaak nr. 24/6286 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2024 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] in Rotterdam voor drie maanden gesloten.
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. I. Car, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman en mr. S.A. de Roo, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] huurt de woning aan de [locatie] in Rotterdam. Op 10 augustus 2023 heeft een ripdeal plaatsgevonden in een nabijgelegen wijk. Na onderzoek naar deze deal is de woning aan de [locatie] in beeld gekomen bij de politie. De politie heeft de woning op 7 november 2023 bezocht. De bevindingen van de politie zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 20 november 2023. In de woning waren zeven personen aanwezig met diverse antecedenten op hun naam gerelateerd aan de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. [appellante] was zelf niet aanwezig in de woning. De politie heeft 1.991 gram methamfetamine en 4 jerry-cans met amfetamine-olie aangetroffen. Daarnaast is ook een wapen en munitie gevonden.
Wat heeft de burgemeester besloten?
2.       De burgemeester heeft bij besluit van 25 januari 2024 besloten om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022 voor drie maanden te sluiten. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat vanwege de aangetroffen situatie in de woning sprake is van een ernstig geval. Gelet op de bevindingen in de bestuurlijke rapportage is aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en bekend is in het criminele circuit. Dat levert volgens de burgemeester een ernstig gevaar op voor de openbare orde. De woning is gelegen in een voor (drugs)criminaliteit kwetsbare wijk en gebied. Dat geen feitelijke handel in de woning of overlast in de buurt is geconstateerd, doet niet af aan de noodzaak tot sluiting. De burgemeester acht een sluiting van drie maanden noodzakelijk om verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen, de openbare orde te herstellen en om een signaal af te geven aan de omgeving dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. Het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar heeft de burgemeester ongegrond verklaard. De sluiting heeft de burgemeester vanwege het tijdsverloop echter niet meer geëffectueerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester op basis van de ernst en de omvang van de overtreding bevoegd was om de woning te sluiten en dat de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester ook in bezwaar op goede gronden besloten het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit tot sluiting van de woning te handhaven. De rechtbank heeft [appellante] niet in haar standpunt gevolgd dat de burgemeester vanwege het tijdsverloop had moeten volstaan met een waarschuwing.
Hoger beroep
4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester mocht besluiten tot het sluiten van de woning. Daartoe voert zij aan dat de burgemeester met het besluit van 11 juni 2024 feitelijk is teruggekomen van het besluit van 25 januari 2024. De burgemeester heeft de sluiting namelijk heroverwogen en besloten dat zij niet meer zal sluiten vanwege het tijdsverloop. Daarmee is eigenlijk sprake van het herroepen van het primaire besluit. [appellante] verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:12401). De burgemeester had haar bezwaar daarom gegrond moeten verklaren en het besluit van 25 januari 2024 moeten herroepen. De rechtbank heeft dit miskend, aldus [appellante].
4.1.    In de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
4.2.    Zoals de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen, kan tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich namelijk de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient zij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
4.3.    De burgemeester stelt zich op het standpunt dat zij op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Weliswaar heeft de burgemeester vastgesteld dat zij de sluiting niet zal effectueren vanwege tijdsverloop, maar dit is een feitelijke handeling die niet op rechtsgevolg is gericht.
4.4.    Gelet op wat onder 4.2 is overwogen, moest de burgemeester bij het besluit op bezwaar beoordelen of sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet - welke sluiting nog niet had plaatsgevonden - redelijkerwijs nog kon bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Als het antwoord op die vraag door het tijdsverloop negatief is, dan is het middel van sluiting niet (meer) geschikt en kan de burgemeester geen gebruik maken van de bevoegdheid tot handhaving. Uit het feit dat in het besluit op bezwaar is besloten af te zien van feitelijke sluiting, maakt de Afdeling op dat de burgemeester deze beoordeling heeft gemaakt en leidt de Afdeling - anders dan de rechtbank - af dat de uitkomst hiervan was dat het middel van sluiting niet langer geschikt was. De Afdeling is van oordeel dat deze beslissing stand houdt, gegeven het hierboven vermelde beoordelingskader. Het besluit op bezwaar heeft niet tot gevolg dat ten tijde van het besluit van 25 januari 2024 sluiting evenmin een geschikt middel was. De burgemeester heeft daarom geen aanleiding hoeven vinden dit besluit te herroepen. Dat de burgemeester zelf vindt dat het afzien van sluiting een feitelijke handeling is, doet aan het voorgaande niet af.
4.5.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen met verbetering van de gronden.
6.       De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
973