Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3310

Raad van State

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
202407383/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van terugvordering huurtoeslag na berekening op basis van transitievergoeding

De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die haar beroep tegen het besluit van de Dienst Toeslagen ongegrond verklaarde. De Dienst Toeslagen had het inkomen van appellante over 2019 vastgesteld op € 20.351, inclusief een transitievergoeding die zij ontving na het faillissement van haar werkgever. Op basis hiervan werd de huurtoeslag herzien vastgesteld op € 2.426, wat leidde tot een terugvordering van € 1.199.

Appellante verzocht om herziening van deze definitieve berekening, maar haar bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de transitievergoeding als inkomensbestanddeel bij de berekening van de huurtoeslag moet worden betrokken en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die matiging van de terugvordering rechtvaardigen.

De Raad van State bevestigt deze uitspraak en wijst erop dat de Dienst Toeslagen gehouden is het inkomen te baseren op de gegevens van de belastinginspecteur. Het feit dat appellante zich niet begrepen voelt en elders procedures voerde over de transitievergoeding vormt geen grond voor vernietiging. De terugvordering is het gevolg van een te hoog voorschot door een eerdere te lage inkomensschatting. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en wijst de proceskosten af.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de terugvordering van huurtoeslag over 2019 op basis van het inkomen inclusief transitievergoeding en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202407383/1/A2.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 30 september 2024 in zaak nr. 23/2247 in het geding tussen:
[appellante]
en
Dienst Toeslagen.
Openbare zitting gehouden op 2 juni 2026 om 12:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. J.S. de Jong
Verschenen:
de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 30 september 2024 van de rechtbank Oost-­Brabant waarbij de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 31 juli 2023 ongegrond heeft verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1.       Op 3 maart 2021 heeft de Dienst Toeslagen van de inspecteur van de Belastingdienst de inkomens- en vermogensgegevens van [appellante] vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) verkregen. De inspecteur heeft het inkomen van [appellante] over 2019 vastgesteld op € 20.351,00. Bij besluit van 3 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen op basis van dit inkomen de huurtoeslag van [appellante] over 2019 herzien vastgesteld op € 2.426,00. Hierdoor is een terugvordering ontstaan van € 1.199,00.
[appellante] heeft op 11 mei 2022 de Dienst Toeslagen verzocht om de definitief berekende huurtoeslag te herzien. Bij besluit van 6 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag over 2019 opnieuw beoordeeld en vastgesteld op € 2.426,00, op basis van een inkomen van € 20.351,00. Tot het toetsingsinkomen behoort een transitievergoeding die [appellante] op 31 december 2019 heeft ontvangen, nadat haar werkgever failliet is gegaan. De Dienst Toeslagen heeft het door [appellante] tegen het besluit van 6 maart 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 31 juli 2023.
Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de Dienst Toeslagen de terugvordering alsnog gematigd met een bedrag van € 956,00. Dit betreft het bedrag aan huurtoeslag dat [appellante] over 2019 minder had gekregen als gevolg van de door haar ontvangen transitievergoeding.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over het jaar 2019 terecht heeft vastgesteld op € 2.426,00. Het toetsingsinkomen van [appellante] bedroeg € 20.351,00. De transitievergoeding is geen inkomensbestanddeel die de Dienst Toeslagen buiten beschouwing mag laten voor de berekening van huurtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangedragen door [appellante] op grond waarvan hij de terugvordering had behoren te matigen. De terugvordering is het gevolg van de omstandigheid dat [appellante] op 30 november 2018 het geschatte jaarinkomen voor het jaar 2019 naar beneden heeft bijgesteld, waardoor aan haar een te hoog voorschot huurtoeslag is uitgekeerd. Dat [appellante] zich onvoldoende geholpen en niet begrepen voelt, omdat zij ook bij de gemeente Boxtel en de inspecteur van de Belastingdienst procedures heeft gevoerd over de transitievergoeding is begrijpelijk, maar vormt geen bijzondere omstandigheid die de terugvordering van de te hoog verstrekte voorschotten huurtoeslag onevenredig maakt.
3.       [appellante] is het niet eens met de beoordeling van de vaststelling van de huurtoeslag. De gronden die zij daartoe heeft aangevoerd leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft de Dienst Toeslagen geen mogelijkheid om de transitievergoeding bij de vaststelling van de huurtoeslag van [appellante] buiten beschouwing te laten (vergelijk: de uitspraak van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3385, onder 4.1.) Dat de rechtbank in haar uitspraak per ongeluk een verkeerd bedrag als transitievergoeding heeft vermeld, maakt dit niet anders. Verder is de Dienst Toeslagen gehouden om bij de berekening van toeslagen uit te gaan van het inkomen zoals hij dat van de belastinginspecteur ontvangt.
Het betoog slaagt niet.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
1014