ECLI:NL:RVS:2026:3310
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering huurtoeslag na berekening op basis van transitievergoeding
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die haar beroep tegen het besluit van de Dienst Toeslagen ongegrond verklaarde. De Dienst Toeslagen had het inkomen van appellante over 2019 vastgesteld op € 20.351, inclusief een transitievergoeding die zij ontving na het faillissement van haar werkgever. Op basis hiervan werd de huurtoeslag herzien vastgesteld op € 2.426, wat leidde tot een terugvordering van € 1.199.
Appellante verzocht om herziening van deze definitieve berekening, maar haar bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de transitievergoeding als inkomensbestanddeel bij de berekening van de huurtoeslag moet worden betrokken en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die matiging van de terugvordering rechtvaardigen.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak en wijst erop dat de Dienst Toeslagen gehouden is het inkomen te baseren op de gegevens van de belastinginspecteur. Het feit dat appellante zich niet begrepen voelt en elders procedures voerde over de transitievergoeding vormt geen grond voor vernietiging. De terugvordering is het gevolg van een te hoog voorschot door een eerdere te lage inkomensschatting. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en wijst de proceskosten af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de terugvordering van huurtoeslag over 2019 op basis van het inkomen inclusief transitievergoeding en verklaart het hoger beroep ongegrond.