202405326/1/V1.
Datum uitspraak: 9 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 26 juli 2024 in zaak nr. NL24.12 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.M. Ligtvoet-van Tuijn, advocaat in Dokkum, en vervolgens door mr. D. de Vries, advocaat in Leeuwarden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Betrokkene heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op 2 december 1994 in Jeddah, Saoedi-Arabië. Daar heeft hij gewoond tot zijn vertrek op 28 juni 2021 naar Turkije. Vervolgens is hij doorgereisd naar Europa en uiteindelijk naar Nederland. Betrokkene is nog nooit in Somalië geweest.
De minister heeft Somalië aangemerkt als land van herkomst waarnaar betrokkene moet terugkeren. De minister heeft de verklaringen van betrokkene dat zijn familie woont in een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft geloofwaardig geacht. De minister verwacht echter van betrokkene dat hij zich bij terugkeer vestigt in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is, zoals Mogadishu.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij van betrokkene verwacht dat betrokkene zich vestigt in Somalië in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is, zoals Mogadishu. De rechtbank ziet, gelet op het landgebonden asielbeleid voor Somalië over het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in paragraaf C7/30.5.2 van de Vc 2000, niet in waarom in het geval van betrokkene de minister niet heeft onderzocht of er concrete aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat betrokkene zich ergens in Somalië kan vestigen. De achterliggende gedachte van dit beleid is immers dat het voor binnenlandse ontheemden gevaarlijk kan zijn om zich in een gebied te vestigen waarmee zij geen binding hebben, terwijl dat in het geval van betrokkene, die nog nooit in Somalië is geweest en geen netwerk heeft in Mogadishu, in feite nog moeilijker zal zijn dan voor iemand die in Somalië is geboren en daar heeft verbleven.
3. In de enige grief klaagt de minister terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vraag of de minister betrokkene een vestigingsalternatief, en dus een binnenlands beschermingsalternatief, mag tegenwerpen, pas opkomt nadat hij heeft vastgesteld dat betrokkene in het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade loopt. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2243, onder 2.1. Volgens de minister loopt betrokkene niet een dergelijk reëel risico. De rechtbank heeft daarom ten onrechte het landgebonden asielbeleid voor Somalië over het binnenlands beschermingsalternatief relevant geacht voor de beoordeling van de asielaanvraag van betrokkene. 3.1. Hoewel de minister de klacht terecht voordraagt, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Mogadishu een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Betrokkene heeft in zijn beroepsgronden van 25 januari 2024 aangevoerd dat hij opvalt wegens zijn uiterlijk en dialect, omdat hij is geboren in Saoedi-Arabië en daar jaren heeft verbleven. Ook heeft hij erop gewezen dat hij wegens het ontbreken van sociale banden in Mogadishu gevaar loopt als hij zich daar vestigt. Hij wijst op het algemeen ambtsbericht Somalië van juni 2023, pagina 42 en 43, waaruit blijkt dat de veiligheid om zich in een ander gebied te vestigen voornamelijk samenhangt met de individuele omstandigheden en het sociale netwerk van de desbetreffende persoon. De minister is hier in zijn besluitvorming ten onrechte niet op ingegaan. De minister moet dit motiveringsgebrek in het nieuw te nemen besluit herstellen. Daarbij moet de minister rekening houden met de actuele veiligheidssituatie in Mogadishu. De Afdeling wijst er daarbij op dat het ambtsbericht van april 2025 een zelfde beeld te zien geeft als het ambtsbericht van juni 2023.
3.2. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van 22 april 2026, onder 2.1, volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026
941-1078