202500761/1/V2.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 januari 2025 in zaak nr. NL22.25109 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij tussenuitspraak van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij besluit van 11 november 2024 heeft de minister het besluit van 10 november 2022 aangevuld.
Bij uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 november 2022, aangevuld bij besluit van 11 november 2024, door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de tussenuitspraak en de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D.W.P. van Erp, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999 in Jeddah, Saudi-Arabië. Daar heeft hij tot aan zijn achttiende gewoond. In 2017 is betrokkene vertrokken naar Turkije om daar te studeren. Vervolgens is hij via Rusland en Belarus de Europese Unie binnengekomen. Betrokkene is de zoon van Somalische migranten die behoren tot de Balfaki, een substam die onderdeel is van de hoofdstam Benadiri. Deze stam is gevestigd in de Benadir-regio, waarvan de hoofdstad Mogadishu deel uitmaakt. Betrokkene is zelf nog nooit in Somalië geweest. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar Somalië kan, omdat hij vreest voor de regering, Al-Shabaab en andere stammen. De minister heeft Somalië aangemerkt als land van herkomst waarnaar betrokkene geacht wordt terug te keren.
1.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij van betrokkene mag verwachten dat hij vanuit Europa terugkeert naar Somalië en dat hij zich vervolgens in Mogadishu vestigt. Hoewel het landgebonden asielbeleid voor Somalië over het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in paragraaf C7/30.5.2 van de Vc 2000 strikt genomen niet van toepassing is op de asielaanvraag van betrokkene, is de rechtbank betrokkene gevolgd in zijn beroepsgrond dat de achterliggende gedachte van dit beleid is dat het voor binnenlandse ontheemden gevaarlijk kan zijn om zich in een gebied te vestigen waarmee zij geen binding hebben en dat dit in het geval van betrokkene, die nog nooit in Somalië is geweest en geen netwerk heeft in Mogadishu, niet anders is. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld dit motiveringsgebrek te herstellen.
1.2. De minister heeft hierop herhaald dat hij van een vreemdeling die geen bescherming nodig heeft, mag verwachten dat hij terugkeert naar het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Volgens de minister mag daarom van betrokkene worden verwacht dat hij naar Somalië vertrekt. Omdat betrokkene behoort tot een stam die in Mogadishu leeft, mag volgens de minister van betrokkene worden verwacht dat hij zich bij terugkeer vestigt in Mogadishu. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij van betrokkene mag verwachten dat hij daar Somalisch leert en dat hij in Mogadishu een netwerk opbouwt. Daartoe heeft de minister onder meer redengevend geacht dat betrokkene eerder in grote steden heeft gewoond, dat hij de Arabische taal beheerst - wat ook een veel gesproken taal is in Somalië - en dat hij in Turkije binnen een jaar Turks heeft geleerd. Van betrokkene mag dus enige zelfredzaamheid worden verwacht, aldus de minister.
Hoger beroep
2. In de enige grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat hij er niet in is geslaagd het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. De minister betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vraag of betrokkene een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, pas opkomt nadat hij heeft vastgesteld dat betrokkene in het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft daarbij gewezen op de ‘Practical Guide on the Application of the Internal Protection Alternative’ van het European Union Agency for Asylum (EUAA) van mei 2021, paragraaf 2.2.
2.1. De klacht in de enige grief is terecht voorgedragen. Indien er een binnenlands beschermingsalternatief is, kan de minister bij de beoordeling van een asielaanvraag vaststellen dat de betrokken vreemdeling geen behoefte heeft aan internationale bescherming. Zie artikel 8, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht- en vestigingsalternatief. Een vluchtalternatief duidt op bescherming tegen een gegronde vrees voor vervolging. Een vestigingsalternatief duidt op bescherming tegen een reëel risico op ernstige schade. In de uitspraak van 5 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL4898, onder 2.4.1, heeft de Afdeling overwogen dat de vraag naar een vluchtalternatief pas aan de orde komt nadat is vastgesteld dat de betrokken vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft. Omdat artikel 8, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn geen onderscheid maakt tussen bescherming tegen een gegronde vrees voor vervolging en bescherming tegen een reëel risico op ernstige schade, komt de vraag naar een vestigingsalternatief ook pas aan de orde nadat is vastgesteld dat de betrokken vreemdeling een reëel risico op ernstige schade loopt. De Afdeling betrekt bij dit oordeel dat, hoewel de ‘Practical Guide on the Application of the Internal Protection Alternative’ van de EUAA van mei 2021 niet bindend is, hieruit volgt dat eerst wordt beoordeeld of de betrokken vreemdeling risico loopt bij terugkeer, voordat wordt beoordeeld of er een binnenlands beschermingsalternatief is. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de minister betrokkene geen vestigingsalternatief heeft tegengeworpen, maar heeft vervolgens ten onrechte het landgebonden asielbeleid voor Somalië over het binnenlands beschermingsalternatief relevant geacht voor de beoordeling van de asielaanvraag van betrokkene. 2.2. Hoewel de klacht terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Mogadishu een gegronde vrees voor vervolging heeft of een risico loopt op ernstige schade. Betrokkene heeft in de aanvullende beroepsgronden van 10 april 2024 verwezen naar informatie uit het Algemeen ambtsbericht Somalië van juni 2023, paragraaf 6.2, waaruit volgt dat vreemdelingen die terugkeren uit Europa, na hun terugkeer gevaar kunnen lopen wegens het ontbreken van sterke clanbanden en/of andere sociale banden. Hoewel de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, gezien zijn achtergrond, van betrokkene enige zelfredzaamheid mag worden verwacht, heeft de minister zich, gelet op het feit dat betrokkene onweersproken naar voren heeft gebracht dat hij in Mogadishu geen netwerk heeft, onvoldoende rekenschap gegeven van de informatie waarnaar betrokkene heeft verwezen. De minister moet dit motiveringsgebrek in het nieuw te nemen besluit herstellen. Daarbij moet de minister rekening houden met de actuele veiligheidssituatie in Mogadishu.
2.3. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
915-1143