Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3295

Raad van State

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
202401536/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico vervolging

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 25 september 2023 de aanvraag van appellant voor een verblijfsvergunning asiel af. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de onduidelijkheid in de landeninformatie over Iran, met name over de situatie van afvalligen en atheïsten. Hierdoor kon de minister zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestond. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten.

De minister moet een nieuw besluit nemen, rekening houdend met de actuele feiten en omstandigheden. Verder werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Prejudiciële vragen werden niet gesteld, gelet op relevante arresten van het Hof van Justitie.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

Uitspraak

202401536/1/V2.
Datum uitspraak: 8 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 maart 2024 in zaak nr. NL23.30565 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 1 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Ben-Saddek, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. Dat geldt ook voor vreemdelingen die deze overtuigingen in beginsel terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat hij gevaar loopt door zijn afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 september 2023 in stand heeft gelaten. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over het verlangen van terughoudendheid niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 maart 2024 in zaak nr. NL23.30565, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 september 2023 in stand heeft gelaten;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026
897-1108