ECLI:NL:RVS:2026:3224
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. den Heyer
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid bewaring wegens onvoldoende motivering non-refoulement bij uitzetting
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 18 februari 2026 in bewaring met het oog op uitzetting naar Libië, uitgaande van diens vermeende Libische nationaliteit. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat het non-refoulementbeginsel zich niet verzet tegen uitzetting naar Marokko, waar betrokkene volgens eigen verklaring vandaan komt.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het terugkeerbesluit een vereiste is voor bewaring en dat de minister bij het opleggen van de maatregel actief en concreet had moeten onderzoeken of het non-refoulementbeginsel zich verzet tegen uitzetting naar Libië. De motivering van de minister voldeed niet, omdat deze niet expliciet aangaf dat er geen reëel risico op onmenselijke behandeling bestaat en onvoldoende rekening hield met de verklaringen van betrokkene.
De Afdeling verwierp de grief van de minister en bevestigde dat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van gronden. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is en wijst het hoger beroep van de minister af.