ECLI:NL:RVS:2026:3165
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overname private schuld wegens niet-opeisbaarheid volgens Wet hersteloperatie toeslagen
De zaak betreft een hoger beroep van een gedupeerde van de toeslagenaffaire die verzocht om overname van een private schuld aan haar ouders. De Belastingdienst/Toeslagen had dit verzoek afgewezen omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was, zoals vereist volgens artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat het uitstel van betaling voor onbepaalde tijd was en er dus geen sprake was van opeisbaarheid op de peildatum. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van schrijnende actuele omstandigheden.
In hoger beroep betoogde appellante dat de schuld wel als opeisbaar moet worden beschouwd vanwege het risico van incassomaatregelen en de onbepaalde aard van het uitstel. De Raad van State oordeelde echter dat de afspraak met haar ouders op de peildatum nog steeds gold, waardoor geen opeisbaarheid bestond. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule faalden eveneens.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was.