ECLI:NL:RVS:2026:3124
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na niet-ontvankelijkverklaring beroep
Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 17 april 2025 werd afgewezen. Dit besluit werd later ingetrokken, maar de rechtbank verklaarde het beroep van appellant op 1 juli 2025 niet-ontvankelijk.
Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, en dat eerdere uitspraken reeds vergelijkbare kwesties hebben behandeld. Ook werden er geen vragen gesteld over Unierechtelijke bepalingen.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde zij de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. J.J.W.P. van Gastel op 3 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.