AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling verzoek beperkte kennisneming in hoger beroep inzake versterkingsprogramma woningen
In hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over de versterkingsmaatregelen voor woningen van appellanten, heeft de minister verzocht om beperkte kennisneming van vertrouwelijke stukken vanwege bescherming van persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer van medewerkers van een betrokken bedrijf.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat kennisneming van de naam van de deskundige die de senior inspecteur bij de opname van de woningen heeft vergezeld, noodzakelijk is voor een eerlijk proces, maar dat het belang van bescherming van de persoonlijke omstandigheden van deze deskundige zwaarder weegt dan het belang van appellanten om deze naam te kennen. Daarom is beperkte kennisneming van deze naam gerechtvaardigd.
Voor de bijlagen is het verzoek tot beperkte kennisneming deels toegewezen: persoonsgegevens in enkele bijlagen mogen worden afgeschermd, behalve voor e-mails waarvan de persoonsgegevens al bij appellanten bekend zijn. Voor twee bijlagen is het verzoek afgewezen vanwege onvoldoende motivering. De minister wordt verzocht geschoonde versies van de stukken aan te leveren. De Afdeling benadrukt dat het uiteindelijk aan de zittingskamer is om te beoordelen of sprake is van een eerlijk proces.
Uitkomst: Het verzoek tot beperkte kennisneming van de naam van de deskundige en bepaalde persoonsgegevens is deels toegewezen, terwijl het verzoek voor twee bijlagen is afgewezen.
Uitspraak
202304224/5/A2.
Datum beslissing: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2023 in zaken nrs. 22/1033 en 22/1034 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de staatssecretaris Economische zaken en Klimaat (thans en hierna: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties).
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 23 mei 2023 in zaken nrs. 22/1033 en 22/1034.
De minister heeft de vertrouwelijke versies van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
De minister heeft desgevraagd bij brief van 19 februari 2026 verduidelijkt waar zijn verzoek om beperkte kennisname op ziet en de betreffende stukken opnieuw ingediend. De Afdeling stuurt met deze uitspraak het verzoek zoals dat was ingediend bij brief van 16 december 2025 terug aan de minister en beoordeelt het verduidelijkte verzoek. Het verzoek zoals op 19 februari 2026 is ingediend beperkt zich tot de naam van de deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld bij de opname van de woningen van [appellant], twee bijlagen, en persoonsgegevens in een zevental bijlagen. De naam van de deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld heeft de minister opgenomen in een brief van 19 februari 2026, welke inhoudelijk overeenkomt met een brief van 16 december 2025 met boven de aanhef de tekst "Informatie en bijlagen ex artikel 8:29 AwbPro", die de minister in zijn verzoek noemt.
Overwegingen
1. De minister heeft bij besluiten van 25 januari 2022 onder verwijzing naar expert opinions van [bedrijf] van 22 en 23 februari 2021 besloten dat de woningen van [appellant] voldoen aan de veiligheidsnorm en niet voor beoordeling binnen het versterkingsprogramma van de Nationaal Coördinator Groningen in aanmerking komen. Bij uitspraak van 23 mei 2023 heeft de rechtbank de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank is zowel in de zaak van [appellant A] als in de zaak van [appellant B], samengevat, van oordeel dat de minister aan de hand van de uitgebreide opnamerapporten, de expert opinions en de daarop gegeven toelichtingen terecht heeft besloten dat de woningen niet voor beoordeling in aanmerking komen. Volgens de rechtbank hebben [appellant A] en [appellant B] geen concrete aanknopingspunten gegeven voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de conclusies van de expert opinions. Tegen de uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
2. Bij tussenuitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3946, heeft de Afdeling, voor zover hier relevant, de minister in de gelegenheid gesteld op grond van artikel 8.51d van de Awb de besluiten van 25 januari 2022 te herstellen door binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak alsnog:
- De naam van de opsteller(s) van de expert opinions kenbaar te maken.
- Duidelijk te maken welke eisen de minister stelt aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de opstellers en te beoordelen of aan die eisen is voldaan.
3. Bij brief van 19 december 2024 heeft de minister een aanvullende motivering van zijn besluitvorming gegeven. De minister heeft de namen van de opstellers van de expert opinions niet kenbaar gemaakt.
4. Bij tussenuitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5608, heeft de Afdeling, voor zover hier relevant, de minister opnieuw opgedragen om de namen van de opstellers van de expert opinions kenbaar te maken.
5. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Volgens de minister is beperking van kennisname gerechtvaardigd vanwege de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van [bedrijf]. De minister wijst erop dat [bedrijf] geen toestemming heeft gegeven om namen van betrokken medewerkers kenbaar te maken. [bedrijf] is volgens hem langdurig en meerdere malen geconfronteerd met bedreigingen en het lastigvallen van medewerkers door [appellant]. Verder verwijst de minister naar zijn eigen ervaringen met betrekking tot de bejegening van medewerkers in de loop van de jaren met [appellant]. De minister wijst ook op het belang van de persoonlijke omstandigheden van de deskundige. De minister heeft bij zijn verzoek 24 bijlagen gevoegd, die volgens hem illustreren dat [appellant] communiceert middels dreigende, intimiderende dan wel beledigende taal. Verder zijn de medewerkers wiens persoonsgegevens onleesbaar zijn gemaakt niet betrokken bij het beroep, mogelijk niet meer werkzaam voor de Nationaal Coördinator Groningen (NCG), en hebben zij geen publieke functie.
De minister heeft in zijn verzoek verduidelijkt dat hij niet verzoekt om beperking van kennisname van de naam de opsteller van de Experts Opinions, de senior inspecteur, omdat deze naam al bij [appellant] bekend is.
6. [appellant] vindt dat zijn recht op een eerlijk proces wordt geschaad als hij geen kennis kan nemen van de stukken. Volgens hem zijn er geen gewichtige redenen voor beperkte kennisneming van de stukken. Zijn uitingen zijn bovendien geen bedreigingen, hij gedraagt zich binnen de wettelijke kaders.
7. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
Naam deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld
8. De minister heeft een brief van 19 februari 2026 overgelegd, waarin de naam is opgenomen van de deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld bij de opname van de woning van [appellant A] en wijlen [appellant B]. Uit de uitspraken van de Afdeling volgt dat de Afdeling het voor de afdoening van de hoofdzaak noodzakelijk acht te beschikken over de naam van de deskundige. Zij heeft dat in beide uitspraken uitdrukkelijk gemotiveerd. Gelet op het belang van een eerlijk proces is kennisneming door [appellant] van de naam van die deskundige ook van groot belang en moet hij in beginsel ook kennis kunnen nemen van die naam. In de hoofdzaak gaat de discussie tussen partijen onder meer over de juistheid van de opnames van de woning en de naam van de deskundige die daarbij is betrokken geweest is daarbij, gelet op beide uitspraken van de Afdeling in deze zaak relevant. Dat neemt niet weg dat er bijzondere reden kunnen zijn om toepassing te geven aan artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De Afdeling leest de tussenuitspraak van 19 november 2025 zo dat de Afdeling de mogelijkheid om toepassing te geven aan artikel 8:29 vanPro de Awb open heeft willen laten. De minister heeft uitvoerig gemotiveerd waarom beperkte kennisname van de naam van de deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld bij de opname van de woning van [appellant A] en wijlen [appellant B] gerechtvaardigd is. Hij heeft daarbij onderbouwd verwezen naar de volgens hem ontoelaatbare wijze waarop [appellant] [bedrijf], medewerkers van [bedrijf] en medewerkers van de minister systematisch en vooral persoonlijk aanschrijft en bejegent. De geheimhoudingskamer van de Afdeling is van oordeel dat de minister met de door hem gegeven voorbeelden, in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van de betreffende deskundige, voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van gewichtige redenen die beperkte kennisneming van de naam van deze deskundige te rechtvaardigen. Om die reden weegt het belang bij beperking van de kennisneming in dit specifieke geval zwaarder dan het belang dat [appellant] kennis kan nemen van de naam van de deskundige. De Afdeling voegt hier wel aan toe dat dit oordeel van de geheimhoudingskamer in zoverre voorlopig is dat het uiteindelijk aan de zittingskamer is om te beoordelen of, alle omstandigheden in aanmerking genomen, sprake is geweest van een eerlijk proces.
Bijlagen bij het verzoek
9. De minister heeft, zoals hiervoor is overwogen, 24 bijlagen overgelegd die volgens hem illustreren dat beperkte kennisname van de naam van de deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld bij de opname van de woning van [appellant A] en wijlen [appellant B] gerechtvaardigd is. De minister heeft ten aanzien van bijlage 18 en 20 verzocht om beperkte kennisname. De minister heeft ten aanzien van bijlage 4, 5+6, 7, 17, 19 en 21 verzocht om beperkte kennisname van persoonsgegevens die op de bijlagen zijn opgenomen.
Met betrekking tot bijlage 18 en 20
10. In haar tussenuitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3946, onder 47 en 48, heeft de Afdeling geoordeeld dat de naam van een deskundige die het rapport heeft opgesteld dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt van belang is om te beoordelen of dit rapport inderdaad aan het besluit ten grondslag gelegd kan worden. De minister maakt, blijkens de tussenuitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5608, onder 4, vanwege deze tussenuitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024 deze namen ook bekend, maar hij maakt in het geval van [appellant] daarop een uitzondering, vanwege het gedrag van [appellant]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] er daarom belang bij om te weten welke gedragingen de beperking van kennisname rechtvaardigen. De minister heeft daarbij onvoldoende gemotiveerd waarom de beperkte kennisname de twee bijlagen gerechtvaardigd is. De Afdeling acht daarom het verzoek om beperkte kennisneming van bijlage 18 en 20 niet gerechtvaardigd. De Afdeling heeft deze bijlagen daarom niet betrokken bij haar oordeel in overweging 8.
Met betrekking tot de in de bijlagen opgenomen persoonsgegevens
11. Ten aanzien van bijlage 4, 5+6, 7, 17, 19 en 21 heeft de minister verzocht om beperkte kennisname van persoonsgegevens die in deze bijlagen zijn opgenomen. Het betreft onder meer: namen, e-mailadressen en telefoonnummers. Een afschrift van deze bijlagen, waarbij de inhoud voor het overige leesbaar is gebleven, is aan [appellant] met het verzoek overgelegd. [appellant] heeft er daarmee kennis van de informatie die volgens de minister ertoe zou moeten leiden dat de naam van de deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld bij de opname van de woning van [appellant A] en wijlen [appellant B] niet bekend wordt gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling wordt [appellant] bij deze stand van zaken zonder kennisname van de persoonsgegevens niet in zijn procesvoering belemmerd. Naar het oordeel van de Afdeling dient zijn belang daarom niet zwaarder te wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (vergelijk: de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4318, onder 3). De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming daarom in zoverre gerechtvaardigd.
12. In de e-mailreeksen die zijn overgelegd als bijlage 4, 5+6, 7, 17, 19 en 21 zijn ook e-mails die zijn verstuurd door en aan [appellant] opgenomen. Ook in deze e-mails zijn persoonsgegevens onleesbaar gemaakt. Het betreft: in bijlage 5+6 e-mails van 28 januari 2021, 2 december 2020 en 25 november 2020, in bijlage 7 e-mails van 4 maart 2021, 30 januari 2021, 2 december 2020 en 25 november 2020, en in bijlage 19 een e-mail van 24 januari 2022. Nu [appellant] al kennis heeft kunnen nemen van deze persoonsgegevens, acht de Afdeling de beperkte kennisneming voor dit deel van het verzoek niet gerechtvaardigd. Omdat deze e-mails vervat in e-mailreeksen zijn overgelegd, zal de Afdeling de minister vragen om van deze bijlagen een nieuwe versie over te leggen.
Conclusie
13. De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming van de brief van 19 februari 2026, waarin de naam is opgenomen van de deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld bij de opname van de woning van [appellant A] en wijlen [appellant B], gerechtvaardigd.
14. De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming van de bijlagen bij het verzoek tot beperkte kennisneming gedeeltelijk gerechtvaardigd. De Afdeling acht daarbij het verzoek tot beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd voor wat betreft bijlage 18 en 20. De Afdeling zal bijlage 18 en 20 terugsturen. De Afdeling zal de minister verzoeken de bijlagen waarvoor het verzoek om geheimhouding is afgewezen aan de Afdeling te sturen. De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd voor wat betreft bijlage 4, 5+6, 7, 17, 19 en 21, met uitzondering van de e-mails van 28 januari 2021, 2 december 2020 en 25 november 2020, 4 maart 2021, 30 januari 2021, en 24 januari 2022, voor zover de daarin opgenomen persoonsgegevens al bij [appellant] bekend zijn. De Afdeling zal de minister verzoeken om een geschoonde versie van deze stukken over te leggen aan de Afdeling.
15. Als de minister geen gehoor geeft aan het in dictumonderdeel IV. aangeduide verzoek dan kan de Afdeling daaraan gevolgen verbinden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek toe met betrekking tot de brief van 19 februari 2026 waarin de naam is vervat van de deskundige die de senior inspecteur heeft vergezeld;
II. wijst het verzoek toe met betrekking tot bijlage 4, 5+6, 7, 17, 19 en 21, met uitzondering voor wat betreft de in overweging 12 genoemde e-mails;
III. wijst het verzoek af met betrekking tot bijlage 18 en 20;
IV. verzoekt de minister binnen veertien dagen na heden een geschoonde versie van de in dictumonderdeel II genoemde stukken en de in dictumonderdeel III genoemde stukken aan de Afdeling toe te sturen.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.